Category: Liefde & relaties

Waarom is afwijzing zo pijnlijk?


Afwijzing is een groot ding voor de mens. In de hersenen activeert afwijzing dezelfde gebieden als wanneer je van je fiets valt. Het voelt (voor veel mensen) als fysieke pijn. Die pijn is een evolutionaire erfenis.

Hoewel ons leven drastisch veranderd is sinds onze voorouders millennialang als jager-verzamelaars in hertenvellen door de bossen zwierven, zijn onze lichamen en hersenen dat niet. Onze basisverlangens en angsten zijn hetzelfde. Vroeger betekende afwijzing en uitsluiting min of meer de doodstraf. Erbij horen was noodzaak, want in je eentje overleven was haast onmogelijk. Dat verklaart waarom veel mensen nu een bijna onevenredige sterke angst hebben voor afwijzing na een date, publieke blunders, openbare praatjes en waarom mensen stomme dingen doen als er genoeg sociale druk is.

Iemand afwijzen bijna net zo pijnlijk zijn als een afwijzing krijgen, vooral als je iemand aardig vindt. De verfijnde spiegelneuronen die de mens zo sociaal maken, geeft ze een goed inlevingsvermogen. En daarom kunnen mensen zich prima voorstellen hoe het voor hun tegenspeler voelt als ze die afwijzen. Ze voelen die afwijzing deels zelf.

Vooral in de liefde doet afwijzing pijn. Als een potentiële werknemer zijn stagiaire beter in het team vindt passen dan jij, dan kun je er vast wel mee leven. Maar als de persoon op wie je verliefd bent, jou meer als vriend(in) of gezellige kennis ziet, dan is dat een natuurramp.

Wat je tegen dat gevoel kunt doen? Helaas niet bijster veel, maar uit onderzoek (o.a. op onze datingsite Relatieklik) blijkt wel dat mensen eraan kunnen wennen. Niet voor niets wordt in sociale angst-cursussen en flirt-workshops de angst voor afwijzing aangepakt door die juist op te roepen. Na een paar afwijzingen op een belachelijk verzoek ‘Ik heb tickets voor een sm-beurs, ga je mee?’ dooft de angst wat uit. Juist een belachelijk verzoek waarbij een afwijzing te verwachten valt, maakt dat mensen het eerder durven vragen. Zo’n afwijzing voelt dan minder persoonlijk, vooral wanneer je merkt dat sommige tegenspelers toch leuk of grappig reageren en jij niet bent gestorven.

De grootse les? Afwijzing is behalve klote, ook een teken dat iets belangrijk voor jou is. Mensen die uit angst voor afwijzing zoveel mogelijk risico’s uit hun leven vermijden besparen zichzelf pijn op de korte termijn, maar reduceren daarmee hun leven tot wachtkamer. Terwijl ze fantaseren tot die bijzondere persoon op magische manier hun leven binnenwandelt… gebeurt er meestal niets interessants. Een leven zonder risico is doods.

eKudos Nu Jij

De liefdesparadox: waarom de liefde ons ontglipt

In onze hoofdstad is meer dan 40% van mensen tussen 25 en 40 vrijgezel. En dit betreft vaak lieve, leuke, aantrekkelijke, intelligente mensen die graag verkering zouden hebben en in een stad wonen met andere lieve, leuke, aantrekkelijke, intelligente mensen. Dat is de paradox

De moderne maatschappij biedt oneindige vrijheden en keuzemogelijkheden. En ons brein weet zich daar niet goed raad mee. Gek genoeg smoort precies die vrijheid liefde en levensgeluk in de kiem. Veel mensen blijven hangen in het datingproces zonder voor elkaar te kiezen.

Vroeger was de liefde een noodzakelijke en praktische aangelegenheid. Het huwelijk was de manier om seks te hebben. Seks gaf vaak kinderen. En kinderen gaven commitment. Scheiden was geen optie, tenzij je partner een gevaarlijke crimineel bleek.

Misschien was de traditionele parendans niet ideaal, maar mensen hadden niet de hele tijd het opgejaagde gevoel dat ze een betere partner of spannendere relatie moesten hebben. Het waren de beperkingen hielden die de liefde werkbaar maakten. Onze opa’s en oma’s waren bijna hun hele leven samen, nu scheidt de helft van alle stelletjes.

Anticonceptie, emancipatie en veranderde normen en waarden hebben de paringsdans onherkenbaar veranderd. Een relatie is geen noodzaak meer, het is slechts een instrument om je liefde te delen. Daarom hopen zoveel mogelijk behoeften te bevredigen met een en dezelfde partner. We fantaseren er op los, terwijl de werkelijkheid wat weerbarstiger is. Vaak tegen beter in hopen we op die ene partner die het allemaal (voldoende) heeft, en dat ook nog eens van jou vindt.

De grootste uitdaging is tegenwoordig om je niet gek te laten maken. En te waken voor perfectionisme en al te hoge eisen in de liefde. Het is broodnodig realistische verwachtingen te hebben. Wat dat betreft kunnen we leren van conservatieve culturen waar gearrangeerde huwelijken nog bon ton zijn. Ik zou nooit voor uithuwelijken willen pleiten, maar de cijfers zijn interessant. Het lijkt erop dat partners in gearrangeerde huwelijken gelukkiger met elkaar worden. Van een mager vijfje in het begin geven ze hun relatie in een later stadium een zeven. Bij ons is het andersom: we beginnen blij, gemiddeld met een zeventje, en eindigen met een vijf.

En toch, geef mij maar onze verworven vrijheden. We zullen alleen leren dealen met de schaduwkanten. Het is in ieder geval makkelijker dan ooit om met gelijkgestemde vrijgezellen in contact te komen. Zelfs als je met buikloop en een ontploft kapsel thuis ruftend op de bank zit kun je contact leggen via Facebook of een van de vele datingsites.

Online daten is geen tovermiddel, maar statistisch gezien vergroot je de kans aanzienlijk dat je iemand tegenkomt die bij je past. Als je wilt weten hoe je effectief kunt daten dan raad ik je dit artikel aan: do’s and dont’s van online daten volgens de wetenschap. En tot slot nog wat schaamteloze promotie voor als je daadwerkelijk het online dating-pad op gaat: neem bijvoorbeeld een kijkje op de gratis datingsite met relatietest die ik heb helpen opzetten.

eKudos Nu Jij

Ben je nog egoïstisch als je in de juiste relatie zit?


Woorden die beginnen met ‘ego’ worden meestal afgedaan als negatief. Ken jij iemand die graag ‘egoïst’, ‘egocentrisch’ of simpelweg ‘ego’ wordt genoemd? Behalve misschien een verdwaalde narcist? Op een oude enquete van onze datingsites Relatieklik en Knuz bleek dat mensen egoïsme de grootste afknapper in een partner vonden. Door die kwaaie bijklank zou je bijna vergeten dat egoïsme in een relatie niet alleen gewenst, maar zelfs broodnodig is.

Nergens wordt dat zo duidelijk als in bed. Zonder het vermogen je tijdelijk volledig op jezelf te concentreren en de ander te vergeten, is het lastig tot een orgasme te komen. Genieten is nu eenmaal vaak een egocentrische bezigheid. Zelfs als je het samen doet. De paradox van seks: door af en toe zonder schroom te nemen, wordt het een stuk makkelijker om daarna zonder voorbehoud te geven.

Wat in bed geldt, telt ook daarbuiten. Als één partner de ander alsmaar probeert te paaien of te sparen, wordt de relatie ofwel pijnlijk ongelijkwaardig ofwel dodelijk saai. In het eerste geval negeert iemand de eigen behoeften omwille van een partner die daar (misschien zonder het te weten) misbruik van maakt. In het tweede geval heb je twee mensen die zo weinig van elkaar eisen dat je je afvraagt of ze überhaupt nog iets wezenlijks met elkaar delen.

In duurzame relaties blijken partners behoorlijk egoïstisch te (kunnen en mogen) zijn. Relaties waarin geliefden hun eigen dingen blijven doen en daar de ruimte voor krijgen, houden langer stand dan relaties waarbij mensen elkaar beperken. Zolang beide partners maar het gevoel hebben dat het grote plaatje van hun relatie in balans is. Dit evenwicht hoeft niet half-half te zijn. Sommige mensen vinden géven nou eenmaal leuker dan némen.

Een goede dosis egoïsme maakt ook dat je eerder in een voor jou gezonde relatie belandt. Als iemand die conflictvermijdend is en tegelijkertijd veel ruimte en onafhankelijkheid nodig heeft, heb ik regelmatig klem gezeten in relaties waarin ik mij een totale egoïst voelde. Dat is mij ook vaak verweten. In sommige relaties lukte het me gewoon niet leuk mee te doen, hoeveel ik ook van haar hield. Shoppen, weekendjes welness, samen op de bank – omdat het niet van harte ging, hield ik daar op een gegeven gewoon mee op. Deze relaties eindigden soms in een spervuur van verwijten totdat een van ons de stekker eruit trok. Pas toen ik mijn behoeften niet meer verstopte om de vrouw in kwestie voor me te winnen – iets wat ik gek genoeg voorheen te egoïstisch zou vinden – werd veel sneller duidelijk met wie ik wel en niet in een duurzame relatie zou kunnen zitten. In de praktijk is dat een vrouw die voldoende op mij lijkt en mijn ‘egoïstische’ drang om regelmatig op mezelf te zijn gewoon begrijpt.

Als partners zich continu inhouden om elkaar niet te kwetsen, zit er iets niet goed. Voor buitenstaanders is het meestal makkelijker te bepalen wat er niet klopt dan voor de geliefden zelf. Deze mensen zijn vaak te emotioneel om te zien dat ze gewoon niet zo veel met elkaar gemeen hebben. Want voldoende op elkaar lijken – zo laat al het onderzoek zien – is wat relaties langdurig bevredigend maakt. Je begrijpt elkaar beter, communiceert makkelijker en je hebt meer voor elkaar over. Je-egoïstische-zelf kunnen zijn, is vaak de beste graadmeter om te bepalen of je in de juiste relatie zit. En wanneer dat zo is voelen de meeste egoïstische trekken niet als egoïsme, maar als gelijkwaardigheid. Met de juiste partner word je misschien nog een gever.

Deze column verscheen eerst in het gezondheidsmagazine GezondNu

eKudos Nu Jij

Niet jouw innerlijke stem, maar een intelligente app zal jou in de toekomst coachen

De unheimische belofte van kunstmatige intelligentie

Ik lijd regelmatig aan een zombie-achtige vorm van bewustzijnsvernauwing waarbij ik elk besef van tijd en ruimte verlies en de noden van mijn lichaam en omgeving verwaarloos. Het gaat hier niet om een hersenziekte of drugsverslaving, maar om een relatief nieuw fenomeen: het zwarte gat dat internet heet. Vooral ’s winters gaat het mis.

Urenlang wordt mijn aandacht opgeslokt door totaal irrelevante Twitter-discussies van mensen die ik nooit heb ontmoet of YouTube-getuigenissen van mensen die bekeerd zijn tot een onzinnige Hongaarse sekte waarvan de leider claimt een alien te zijn. Geen idee hoe ik daar verzeild raak. Een betere vraag zou zijn ‘hoe kom ik eruit?’ want hoe langer ik aan het digitale infuus vastzit, hoe minder daadkracht over blijft om mezelf los te rukken. Dat duivelse web weet steeds beter waar ik op zal klikken. Herkenbaar?

Ik verbaas me hoezeer mijn brein (en dus mijn hele identiteit) langzaam versmelt met die moderne technologie. We leven in een vreemde tijd en nog vreemder is dat we er allemaal zo aan gewend lijken. Neem internet. Dat is een uitvinding die alle trendwatchers uit de vijftiger jaren níet zagen aankomen. Ze zagen vliegende auto’s en schoonmakende robots, maar geen internet. Nu, een generatie later, kunnen we niet zonder.

Tegenwoordig hoef je je nooit meer eenzaam te voelen. Moederziel alleen, vanuit een hutje in de Russische Taiga kun je jezelf livestreamen op Facebook, twitteren met je favoriete tv-ster, facetimen met een oude vriend in Australië, een partner schaken via Tinder en meedoen aan een online pokerwedstrijd. Tegelijkertijd! Het world wide web heeft alles veranderd. Hoe we shoppen, werken, denken, communiceren, beslissingen maken, liefdesrelaties aangaan, vrije tijd doorbrengen, seks beleven, onszelf presenteren.

Maar de vooruitgang is ook op andere vlakken nauwelijks te bevatten. Sla het (wetenschappelijke) nieuws van de laatste tijd er maar eens op na. Dit zijn een aantal willekeurige kunstjes die mensen in de afgelopen paar jaar voor elkaar hebben gekregen:

Er bestaan inmiddels auto’s, vliegtuigen, robots en drones die zichzelf besturen. Er zijn algoritmes die muziek componeren, menselijke emoties lezen, ziektes diagnosticeren, artikelen schrijven en spelletjes spelen. Het is mogelijk levende organismen genetisch te veranderen en te klonen. Apen kunnen middels hun gedachten kunstmatige ledematen of elektronische apparaten besturen. Er zijn mensen die geïmplanteerde computerchips in hun vingers hebben waarmee ze de elektronica in huis bedienen. Het is mogelijk specifieke herinneringen in mensen aan- en uit te zetten. We kunnen via een scherm live meekijken naar de visuele ervaring van een kat. Artsen bereiden zich momenteel voor om de eerste hoofdtransplantatie uit te voeren.

Vanuit het perspectief van onze voorouders, die als duizenden jaren als jager-verzamelaar leefden, is dit pure tovenarij. Zij zouden denken dat de moderne mens goddelijke gaven heeft waarmee hij zowel de wereld als zichzelf onherkenbaar kan veranderen.

Geen mens heeft ooit succesvol de toekomst voorspeld (tenzij je dubbelzinnige vaagheden van glazenbol-lezers als Nostradamus serieus neemt), maar een ding is zeker: de Trein der Vooruitgang rijdt sneller rijdt dan ooit doordat een aantal revolutionaire technologieën – die elkaar versterken – langzamerhand tot bloei komen, zoals biotechnologie, nanotechnologie en kunstmatige intelligentie. Vooral kunstmatige intelligentie verandert in korte tijd hoe mensen doen, denken, voelen en beslissingen nemen. En dat zal vroeg en laat een revolutie ontketenen waarbij ons dagelijks leven er weer heel anders uit zal zien.

De volgende stap van deze interconnectiviteit? Ik voorspel dat we binnenkort niet meer luisteren naar onze eigen innerlijke stem of een deskundige van vlees en bloed, maar naar een app. Een zelflerend algoritme dat alles weg zal hebben van een heus orakel. Dit klinkt vast als het geratel van een sciencefiction-freak, tenzij je de volgende twee inzichten combineert: mensen óverschatten zichzelf en ónderschatten de potentie van kunstmatige intelligentie.

Als psycholoog weet ik dat mensen er extreem goed in zijn zichzelf voor de gek te houden. Elk mens wordt gekaapt door blinde vlekken, cognitieve dissonantie en tegenstrijdige verlangens. Hierom zeggen we vaak het één, voelen iets heel anders, en doen vervolgens nog iets anders. ‘Het is klaar met de sterke drank!’ ‘Vanaf nu elke week sporten.’ ‘Nooit meer seks met de ex.’ Ja, ja. Hoe graag we ook willen, echt rationeel zijn we niet. De meeste beslissingen verlopen onbewust en intuïtief. Vaak missen we essentiële informatie om echt goede beslissingen te nemen.

Een ‘intelligente’ app zou, als er voldoende data beschikbaar is, razendsnel door jouw zelfmisleiding heen prikken. Die data bestaat nu vooral uit jouw internetgedrag, maar het zal niet lang duren voordat ook jouw mentale en lichamelijke toestand op elk moment van de dag in kaart kan worden gebracht. Ons doen en laten wordt steeds beter meetbaar en technisch is het al mogelijk gezichtsexpressies, bloedwaarden, hartritme, stemming en zelfs zielenroerselen* af te lezen. En als al die data op een gegeven moment gekoppeld wordt in een intelligente app, dan kan een zelflerend algoritme jouw gedrag beter voorspellen en beïnvloeden dan jijzelf. Hier wordt momenteel volop mee geëxperimenteerd.

Zo’n algoritme koppelt vervolgens jouw persoonlijke data aan een monsterlijke database (van iedereen over de hele wereld), en houdt bij wanneer jij op het punt staat een slechte beslissing te nemen. Een prettige computerstem (eentje waar jij volgens de app het best op reageert) informeert jou dan:

‘Je kunt dat feestje beter skippen, want alles duidt erop dat je op het punt staat bijna griep te krijgen en volgende week heb je belangrijke dingen te doen. Je bloedwaarden laten zien dat je rustig aan moet doen. ’

‘Mmm, de film die je nu wilt zien is nu niet zo geschikt! Mensen in jouw huidige emotionele toestand konden raakte daar erg door van slag en konden er niet goed van slapen. Iets wat jij nu niet kunt gebruiken.’

‘Hmm, je bent extreem aangetrokken tot Janet en wilt het uitmaken met Lisa. Mijn prognose: de slagingskans met Janet is nihil, namelijk 7%. Afgaande op jouw liefdesverleden, dooft jouw interesse na drie keer seks uit en mis je die diepere connectie die je met Lisa hebt. Ik zou Lisa niet opgeven voor Janet: 94% kans dat je daar spijt van krijgt. Zie hier het hele rapport.’

Ik kan best een ‘stem’ gebruiken die mij waarschuwt wanneer ik weer in dat zwarte gat verdwijn. ‘Marcelino, alle data suggereert dat het efficiënter is om nu even offline te gaan. Je cortisolniveau is te hoog en je arme brein is overprikkeld. Doe anders een yogalesje bij Mia om vijf? Of ga wandelen: tot half zes blijft het droog.’

Jouw innerlijk stem zal in de toekomst mogelijk vervangen worden door een algoritme dat jou steeds beter leert ‘kennen’ en jou derhalve steeds beter (en overtuigender) leert adviseren op het gebied van geluk, liefde en gezondheid. En ondanks dat altijd mensen zijn die een groeiende weerstand zullen voelen tegen deze overname van kunstmatige intelligentie (net zoals mensen weerstand hadden tegen een smartphone) zullen er mensen langzaam toch mee versmelten er zich steeds afhankelijker voelen. Al is het maar omdat anderen die wél zo’n app gebruiken een grote voorsprong zullen hebben als het gaat om kennis, gezondheid en geluk.

Als je bent zoals de meeste mensen dan wil je het uiteraard direct weten als je een enge ziekte onder de leden ontwikkeld, op het punt staat voor een foute partner te kiezen of solliciteert op een baan die jou ongelukkig zal maken.

Of je wilt of niet, er komt een moment dat mensen bij het nemen van belangrijke beslissingen meer op een app zullen vertrouwen dan zichzelf. Want die kan behalve onze feilbare intuïtie, ook andere (voorheen onzichtbare) factoren in de beslissing meenemen.

Dit is vooralsnog sciencefiction. Net zoals jouw smartphone dat ooit was.

*Door middel van moderne breinscanners bijvoorbeeld kunnen we tegenwoordig steeds duidelijker zien wat er in ons brein gebeurt als wij angstig zijn, aan Angelina Jolie denken, een ijsje eten of een krantenbericht analyseren. En hoe meer grip we krijgen over de link tussen wat er in brein, lichaam en buitenwereld gebeurt, hoe meer we het zullen kunnen beïnvloeden.

eKudos Nu Jij

De oneerlijke welles-nietesdiscussie: vooroordeel versus goed geïnformeerde mening

Of het nou om een tv-debat of familieruzie gaat, een discussie is onbevredigend, en kan blijvende relatieschade opleveren, als twee mensen NIET over hetzelfde praten. Als ik het wil hebben over de geluidsoverlast die jij veroorzaakt en jij blijft herhalen dat ik gewoon last heb van een slechte muzieksmaak… dan wordt dat een onoplosbare burenruzie.

‘Kan die muziek alsjeblieft wat zachter: ik heb er last van.’
‘Nee echt, je hebt last van een slechte muzieksmaak. Als je het nog een maand aanhoort dan zul je het echt waarderen.’
‘Dat wil ik helemaal niet. Ik wil rustig een boek lezen na tienen.’
‘Dat zeg je alleen maar omdat je niet openstaat voor mijn muziek. Je bent een muzikale xenofoob.’

Dit langs elkaar heen praten is niet altijd meteen duidelijk. Vaak genoeg lijkt het voor de leek alsof twee partijen een redelijke en gelijkwaardige, maar onverenigbare, mening verkondigen. Dit is helaas niet altijd het geval.

Soms (zoals in mijn laatste discussie) heeft de één een onzinnige mening gebaseerd op niets anders dan een onderbuikgevoel en de ander een mening gestoeld op goede argumenten en relevante feiten. Eerlijk debatteren en kunnen toegeven wat je wel en niet weet is noodzakelijk als je tot elkaar wilt komen. Daarom is het goed deze drogredenen te kennen en te vermijden.

Iemand die ze goed kent, zal zich waarschijnlijk niet tot de tenenkrommende discussie verlagen waarin ik gisteren terecht kwam. Het ging over een openbaar debat, dus ik kon er niet zomaar uitstappen. Het was gekmakend. Ik zal hem formulematig uitschrijven, zodat het nog duidelijker zichtbaar wordt wat hier mis gaat. Misschien leer je er iets van.

De ander: ‘Ik vind ZUS van X.’
Ik: Aha, ik begrijp dat je ZUS vindt, maar toevallig heb ik X bestudeerd en de feiten lijken toch echt ZO te zijn.
DA: ‘Maar dat is jouw mening die jij nu heel stellig als een waarheid verkoopt.’
Ik: ‘Nou, ik had ook graag ZUS gevonden, maar nu ik X vanuit verschillende perspectieven heb onderzocht, lijkt het toch echt ZO te zijn. Onderzoek A, B en C bijvoorbeeld zeggen dat het ZO zit en niet ZUS.’
DA: ‘Ja, jij zegt dat wel, maar als ik eerlijk ben, vertrouw ik jouw feiten niet helemaal. Wie ben jij nu helemaal? Ik heb andere feiten gehoord.’
Ik: ‘Ik vind die kritische houding juist prima! Ik heb verschillende bronnen en onderzoeken die ik je kan toesturen en die jij allemaal kunt natrekken. Als je wilt kunnen we het daarover hebben?’
DA: ‘Sorry, ik neem dat niet zo van je aan. Statistiek is ook maar spelen met cijfertjes. En ik heb bovendien zelf meegemaakt dat het ZUS was. En veel mensen om me heen hebben diezelfde ervaring.’
IK: ‘Ja, dat snap ik. Ik heb zelf ook ZUS meegemaakt, maar jouw en mijn persoonlijke kijk zijn per definitie beperkt en bevooroordeeld. Daarom is onafhankelijk statistisch onderzoek zo nuttig… om het grote plaatje in beeld te krijgen. Want die klopt soms niet met wat een individu vanuit zijn kleine bubbel waarneemt. En al die onderzoeken naar X laten dus niet ZUS zien, maar ZO.’
DA: ‘Ja, jij probeert punten te scoren en je gelijk halen, maar ik ken die feiten die jij noemt niet. En sorry dat ik het zeg, maar ik ben allergisch voor dat betweterige toontje van je. Dat roept weerstand op.’
Ik: ‘Ja, ook dat begrijp ik, maar dat is niet relevant voor WAT ik zeg. We hebben het erover of X nu ZUS of ZO is. Ik kom met argumenten en feiten, en daar reageer je nu niet op. En langzamerhand wordt mijn toon inderdaad ongeduldig.’
DA: ‘Ja inderdaad, dit wordt een saaie eenzijdige monoloog waarin jij gelijk probeert af te dwingen. Je drukt me in een hoek. Dat doen fascisten zoals Wilders dus ook.’

(Ik raap ondertussen mijn gevallen onderkaak van de grond. )

Ik: ‘Eh… een fascist? Wilders? Wat heeft dat hier mee te maken. Ja, ik reageer inderdaad kribbig en ik herhaal mezelf, maar nogmaals, mijn toon is verder NIET relevant voor de hamvraag in deze discussie. De vraag is en blijft nog steeds: is X nu ZUS of ZO?’
DA: ‘Tja, en ik voel duidelijk dat het ZUS is en jij hebt het over statistische feitjes die ik niet ken. Dit is dus geen eerlijke discussie. Je wilt gelijk hebben en ik wil jou dat niet geven, en daar kan jij niet tegen. Dat is wat hier aan de hand is.’
Ik; ‘Nee, ik hoef echt niet per se gelijk te hebben, maar ik wil wél een eerlijke discussie, waardoor het nu eens echt over de inhoud gaat en jij reageert op WAT ik zeg, en niet op HOE ik het zeg.’
DA: ‘Sorry, maar zo werkt dat niet voor mij. Ik neem die feiten gewoon niet zomaar aan. Ik ken ze niet en jij probeert ze aan me op te dringen. Daar hou ik niet van. Ik heb het gevoel dat ik niet met je oneens mag zijn. Je laat me niet in mijn waarde.’
Ik: ‘Ik laat je wel in je waarde, maar ik vraag je op op de inhoud te reageren, en nu blijf je jammeren over mijn betweterige toon. Ik word moedeloos: kunnen we ermee ophouden?’
DA: ‘Ook dat nog: op het moment dat het moeilijk wordt, wil je er mee ophouden. Dat laat in ieder geval zien hoe zeker je van je zaak bent…’
Ik: ‘…’

Zo’n discussie kan eindeloos doorgaan, totdat een van beide wijselijk de stekker eruit trekt. Wat wel blijft hangen is een onbevredigend rotgevoel en een hartgrondige hekel aan elkaar. Als je vijanden wilt, moet je vooral discussiëren zoals mijn tegenstander deed. Hecht je aan zowel een eerlijke discussie als een goede relatie dan kun je het beter zo doen:

De ander: ‘Ik vind ZUS van X.’
Ik: Ik begrijp dat je ZUS vindt, maar ik heb allerlei bronnen en onderzoeken bestudeerd die jij allemaal kunt natrekken. We kunnen het over die bronnen hebben?’
DA: ‘Goed, dat moet ik nu maar van je aannemen dan. Stuur die bronnen maar op dan hebben we het er volgende keer over. Misschien klopt mijn gevoel niet met de feiten.’
Ik: ‘Prima, dan kunnen we nu naar het volgende onderwerp.’

Meer lezen? Lees ook dit artikel: Wetenschap is niet zomaar een geloof of mening.

eKudos Nu Jij

Maakt passief Facebook-gebruik ongelukkig?


Het is vast geen verrassing meer
, maar sociale media hebben hun weerslag op de gemoedstoestand. En niet per se positief. Veel mensen gebruiken Facebook op een voyeuristische manier, waarbij ze niet interacteren met anderen maar slechts passief kijken hoe anderen hun ‘leven’ op Facebook delen. De kans is dan groot dat je stemming er slechter wordt dan beter, suggereert onderzoek van de Universiteit van Kopenhagen. Als Facebook-gebruik niet samengaat met interactie op de site dan creëert dat eerder gevoelens van jaloezie en afgunst. Of ergernis. Het geeft je het gevoel dat je een eenzame buitenstaander aan de zijlijn bent die niet echt meedoet. En wie vindt dat nou leuk?

Mijn conclusie: gebruik Facebook vooral om te connecten met mensen. Misschien wel om af te spreken in de echte wereld?

Meer lezen?
Maken sociale media ons eenzaam en ongelukkig?
De narcistische akeligheid op Facebook verklaard

eKudos Nu Jij

Heeft Tinder een negatief effect op zelfwaarde en lichaamsbeeld?

Daar lijkt het wel op. Recent Amerikaans onderzoek laat zien Tinder-gebruikers en negatiever beeld van hun eigen gezicht en lichaam hebben dan singles die de app niet gebruiken. Vreemd genoeg leidde dit volgens het onderzoek vooral bij mannen tot een negatiever zelfbeeld. Onderzoeker Jessica Strübel: ‘We vonden dat actief zijn op Tinder, onafhankelijk van sekse, correleerde met ontevredenheid en schaamte over het eigen lichaam, het internaliseren van maatschappelijke verwachtingen over schoonheid, het jezelf fysiek vergelijken met anderen en een afhankelijkheid van de media voor informatie over aantrekkelijkheid en uiterlijk.’

Het kan zijn dat juist mensen met een lager zelfbeeld zich aangetrokken voelen tot een app als Tinder, maar dat lijkt niet waarschijnlijk. De aard van Tinder maakt mensen noodgedwongen bewust van hun ‘fysieke’ marktwaarde. Bij Tinder gaat het in eerste instantie om uiterlijke schijn en oppervlakkige criteria: pas wanneer je elkaar allebei op het eerste gezicht de moeite waard vind, kun je met elkaar chatten. Als jij een interessant profiel niet terugziet, dan betekent dat dat jij door die persoon zonder pardon bent weggeswipet. Deze onpersoonlijke manier van matchen, geeft de gebruiker het akelige gevoel dat hij oninteressant en vervangbaar is.

Waarom dit, volgens dit onderzoek, vooral de zelfwaarde van mannen een knauw lijkt te geven? De onderzoekers geven geen verklaring. Mijn gok is dat mannen er een minder streng selectiebeleid op nahouden over met wie ze willen daten en daardoor statistisch gezien meer afwijzingen te verduren krijgen. Vrouwen zijn namelijk wel een stuk selectiever. Hierom zijn een aantal goed uitziende, hoogopgeleide mannen ontzettend populair, en worden de middenmoters sneller over het hoofd gezien.

Hoe meer er te kiezen valt, hoe oppervlakkiger hun selectiecriteria worden. Het eindeloos scrollen door al die profielen doet iets raars met je brein.

Punt van discussie: het onderzoek werd gedaan onder 1.317 studenten: bij uitstek een levensfase waarin uiterlijk er zeer toe doet. Het zou goed kunnen dat het lichaams- en zelfbeeld bij volwassenen minder sterk beïnvloed zou worden.

Bron.

Meer lezen over online daten?
Online daten en het keuzeprobleem.
Voordelen van online daten
Nadelen van online daten

eKudos Nu Jij

Waarom jij altijd gelijk hebt (ook als je geen gelijk hebt)

‘Waarom zie je wel de splinter in het oog van je broeder, maar niet de balk in je eigen oog?’ – Jezus Christus, spiritueel leider

Jij en ik leven met een onzichtbare handicap. Een dragelijke, maar serieuze mentale beperking die we ironisch genoeg ‘gezond verstand’ noemen. We denken vaak goede redenen te hebben om iets te vinden, terwijl we in werkelijkheid iets vinden en daar pas achteraf de redenen bij verzinnen. Die blinde vlek spotten we vaak accuraat bij anderen, maar niet bij onszelf.

Een eerste hint dat er iets goed mis is, vind je op de sociale media. Zoals Twitter. Op elk moment van de dag vind je daar intelligente, hoogopgeleide mensen – ook journalisten, deskundigen en hoge piefen met voorbeeldfuncties – die elkaar voor idioot of leugenaar uitmaken. De een weet zeker dat Zwarte Piet racisme is, de ander weet precies het tegenovergestelde. Een ander weet weer zeker dat vaccinaties gevaarlijk zijn, een ander weet dat het pertinent grote onzin is. De meeste discussies –vluchtelingen, Airbnb, Islam of Pokémon – polariseren razendsnel in een spiraal van wederzijdse akeligheid.

Is de diepere les dat de waarheid zich ergens in het midden bevindt? Nee, dat denken alleen luie mensen die zich onvoldoende in de materie verdiept hebben. De werkelijkheid trekt zich niks van onze compromissen en meningen aan. Soms heeft een van beiden gewoon gelijk, en de ander niet. (Maar wie is wie?) Als er al een les is, dan is het dat je nooit zomaar op je eigen brein kunt vertrouwen. Dat ding is namelijk niet gemaakt om zichzelf of de werkelijkheid te begrijpen, het is geëvolueerd om erin te overleven. Ons brein is daarom van nature bevooroordeeld.

Een paar stevige resultaten uit onderzoek:

We verkiezen welbespraaktheid boven eerlijkheid; zelfvertrouwen boven deskundigheid en simpele verklaringen die we begrijpen boven complexe. We schrijven succes aan onszelf toe en falen aan iets of iemand anders (tenzij we depressief zijn, dan doen we het eerder andersom). We zijn geneigd (precies dezelfde) prestaties van vreemden negatiever te beoordelen dan die van mensen uit ‘onze’ groep. We dichten mooie mensen positievere eigenschappen toe dan minder fraaie mensen. Tot slot denken we dat al die blinde vlekken meer voor anderen gelden dan voor onszelf. En die zelfoverschatting is volgens deskundigen precies de reden waarom we die vooroordelen niet corrigeren. We zien, kortom, veel zaken die er niet zijn.

Geloof – hoe onwaar of onzinnig ook – is onze geboortegrond.
Hoeveel illusies er ook zijn, je kunt ze altijd in een van twee categorieën plaatsen: 1) je ziet een patroon of betekenis waar er geen is, en 2) je ziet geen patroon of betekenis waar er wel een is. Mensen zijn vooral gemaakt om aan de eerste illusie te lijden. Die was extreem nuttig om te overleven. In de jungle, waar onze voorouders leefden, kon je er beter van uitgaan dat het struikgeritsel afkomstig was van een gevaarlijk roofdier dan van de wind. In het eerste geval gebeurde er niets, in het tweede geval werd je gedegradeerd tot lunch. Alerte, achterdochtige mensapen overleefden langer en gaven dus ook vaker hun genen door. Jouw en mijn brein zijn een directe kopie van onze conservatieve voorouders.

De defaultpositie van de mens is om er maar vanuit te gaan dat een patroon echt is. Simpelweg íets geloven is voor ons brein natuurlijker dan twijfelen, onderzoeken, experimenteren en testen hoe het écht zit. Dit is een van de redenen waarom veel mensen wetenschap wantrouwen, terwijl wetenschap bij uitstek is ontworpen om menselijke vooroordelen en denkfouten te omzeilen.

Het recept tegen welke illusie dan ook is – hoe kan het anders – de relevante feiten kennen. Maar dan nog, zelfs wanneer je mensen overweldigende bewijzen en goede argumenten tegen hun geloof presenteert, vallen zij er meestal niet vanaf, maar zullen ze dat instinctief juist versterken. Dit wordt ook wel het backfire-effect genoemd.

Een bizar voorbeeld: het is je vast niet ontgaan dat de Aarde – ondanks dat talloze onheilsprofeten haar ondergang regelmatig hebben voorspeld – nog niet is vergaan. Zelfs niet in 2012, het eens zo gevreesde einde van de Maya-kalender. Wat deden al die falende profeten en hun volgelingen eigenlijk met de feiten? Gaven ze toe dat hun geloof niet klopte? Zelden. Meestal werd hun geloof en toewijding juist sterker. Om hun oorspronkelijke geloof te rechtvaardigen gaven ze meestal een deze verklaringen voor de non-gebeurtenis:

1) De letterlijke Apocalyps met aardbevingen, overstromingen en hellevuur werd geherinterpreteerd als een onzichtbaar spiritueel proces (dat alleen de profeet en zijn volgelingen opmerkten).
2) Het was een test: God wilde weten of de profeet en zijn mensen wel écht voor hem door het vuur zouden gaan.
3) De datum werd verschoven vanwege een kleine misrekening van de profeet of een serieuze bedenking van God.

Dit is bijna net zo kras als dat je mij keihard in het gezicht slaat en ik even later (met een zakje ijs tegen mijn wang) mompel dat jij mij nooit met een vinger zou aanraken. Hoe gaat deze feitenontkenning eigenlijk in zijn werk?

Het brein heeft een defensiemechanisme tegen de werkelijkheid.
Een kort zijpad dat je misschien herkent: een waterval aan complimenten voelt een paar minuten lekker, maar één kritische noot – zelfs als het onterecht is – kan voelen als een mokerslag waarvan je de rest van de week moet bijkomen. Verklaring? Informatie die klopt met wat wij sowieso al geloven is niet zo interessant voor ons brein omdat we daar verder geen actie op hoeven te ondernemen. Ons brein is geëvolueerd om extra gevoelig te zijn voor informatie die dat ons wereldje bedreigt. Informatie die ons wereld- en zelfbeeld tegenspreekt doet extra pijn.

Neurowetenschapper Kevin Dunbar onderzocht het backfire-fenomeen ooit met een fMRI-breinscanner en deed een veelzeggende ontdekking: een mensenbrein dat informatie krijgt die strookt met wat het al gelooft, licht op in hersendelen die samengaan met leren en het verwerken van informatie. Bij tegenstrijdige informatie dooft die hersenactiviteit juist wat uit en wordt het brein actiever in gedeelten die samengaan met zelfbeheersing en de onderdrukking van gedachten. Kortom, het brein wordt dan defensief en zoekt naar een manier om de spanning van de tegenstrijdige informatie teniet kan doen. Het komt al snel met argumenten op de proppen – ook hele slechte – om het oorspronkelijke geloof in stand te houden.

Precies hierom hebben goedbedoelde gesprekken om religieuze, ideologische of politieke verschillen te slechten vaak een averechts effect. In plaats dat tegenstanders gemeenschappelijke grond vinden, raken ze gevoelsmatig juist nog meer van elkaar verwijderd. In een bekend Amerikaans onderzoek van Myers en co (1970) werd aan progressieve en conservatieve studenten gevraagd om een paar gevoelige politieke issues met elkaar te bespreken. Het resultaat: slechts door met elkaar te praten werden de conservatieven conservatiever en de toleranten nog toleranter. Groepspolarisatie wordt dit genoemd: iets wat op dit moment door sociale media als Twitter in rap tempo gebeurt.

Het backfire-effect geeft ook onzinnige complottheorieën extra brandstof. Complotdenkers zien zowel het gebrek aan bewijs als een tegenbewijs vaak juist als ‘bewijs’ van een goed georganiseerde cover-up die bewijzen wegmoffelt of manipuleert. Soms klopt het, maar als zelfs het gebrek aan bewijs wordt gezien als bewijs, dan is the sky the limit. Op internet vind je tal van hardnekkige en bizarre complottheorieën die wereldwijd al jarenlang door grote groepen aanhangers worden geloofd. Ze kunnen – gezien de tegenstrijdige theorieën die in omloop zijn – alvast niet allemaal waar zijn.

Het probleem met internet is dat het als een spiegelpaleis functioneert. Je checkt al snel de sites die jouw eigen ideeën terugkaatsen en negeert corrigerende informatie. Hierdoor kom je steeds vaster in je eigen ‘werkelijkheidsbubbel’ te zitten. In een langdurend onderzoek op Facebook (2010-2014) van Vicario et al. bleek dat internetters vooral informatie delen die strookt met hun vooroordelen zonder nog te letten op feiten en betrouwbaarheid van die informatie.

Ik zal hierdoor vast wat haters krijgen, maar het backfire-effect verklaart ook het huidige succes van de populaire antivaccinatie-lobby. Ondanks dat de wetenschappelijke consensus overweldigend is dat vaccinaties niet alleen miljarden levens redden, maar ook relatief veilig zijn, ziet de antivaccinatie-brigade het als een complot van de farmaceutische industrie, de mainstream media, de overheid, de wetenschap en reguliere geneeskunde om gezonde mensen voor hun eigen doelstellingen (geld en macht) te vergiftigen. In een onderzoek Van Nyhan & Reifler (2015) werden antivaccinatie-sympathisanten willekeurig in groepjes geplaatst om te zien welke van twee methodes het meest efficiënt waren om hen enigszins aan hun standpunt te laten twijfelen. De ene groep kreeg een rationele samenvatting van wetenschappelijk onderzoek, in de andere groep werden vooral emotionele argumenten gebruikt die duidelijk aantoonden hoe vreselijk de gevolgen konden zijn voor niet-ingeënte kinderen. Het resultaat? In beide groepen werd het anti-vaccinatie-sentiment juist sterker. Een bevestiging van het backfire-effect.

Ik wil niemand belachelijk maken, want we zijn allemaal geboren complotdenkers. Antropoloog Pascal Boyer deed ooit onderzoek onder verschillende natuurvolkeren en ontdekte dat zij allemaal een geloof deelden in onzichtbare entiteiten die het leven achter de schermen regelden. Bliksem, griep, een slechte oogst, winnen met voetbal: allemaal het werk van Goden, engelen, demonen, natuurgoden, complotten of aliens. Vooral in onzekere situaties hangen we liever een schijnverklaring aan dan te erkennen dat we het gewoon niet weten. Waarom tolereren we onzekerheid zo slecht?

De linkerhersenhelft: de fantast in ons brein.
Mensen zijn zowel in staat tot verbluffende inzichten en uitvindingen als ongelofelijke waanzin en domheid. Soms tegelijkertijd. Je kunt bijvoorbeeld een wiskundig genie zijn en tegelijkertijd geloven dat bruine bonen kwaadaardig zijn (Pythagoras). Je kunt in je eentje de zwaartekrachttheorie hebben uitgedacht en ondertussen geloven dat het doel van dit leven is om goud uit koper te maken (Isaac Newton). Je kunt de hele mensheid hebben verlicht met je uitvindingen en ondertussen drie keer angstvallig om elk gebouw heen moeten lopen voordat je er naar binnen durft (Nicola Tesla). Niemand is alleen maar slecht of gek, en niemand is alleen maar goed of wijs.

Wat is het mechanisme waardoor zin en onzin vaak in één en dezelfde schedel kunnen samengaan? Het lijkt er haast op dat er twee personen in ons hoofd zitten. En hoe belachelijk dit ook klinkt, misschien is dat niet eens zo ver van de werkelijkheid.

Ons brein bestaat uit twee hersenhelften die, ondanks dat zij continu met elkaar communiceren via de hersenbalk (corpus callosum), ook geheel zelfstandig van elkaar functioneren. Hoewel we voor veel taken beide helften nodig hebben, heeft elke helft een unieke kijk op de werkelijkheid. De linkerhelft is het analyserende gedeelte: het vereenvoudigt en verdeelt de werkelijkheid in hokjes, labels en oorzaak-gevolgrelaties. Het is gespecialiseerd in taal, rekenen en logisch en lineair nadenken. Het is ook dat deel dat dit artikel nu probeert te snappen en er een eigen oordeel over vormt. De rechterhersenhelft ervaart de werkelijkheid meer op een holistische manier. Je kunt dit deel zien als het waakzame, zintuiglijke, empathische en creatieve gedeelte: je intuïtie. Het is dit deel dat jou laat opschrikken als het iets verdachts hoort of verdriet in de stem van je geliefde hoort. Het ziet verbanden die de linkerhelft mist. De beschouwende rechterhelft informeert de uitvoerende linkerhersenhelft over hoe het gezamenlijke doelen kan bereiken, de linkerhelft bepaalt meestal het uiteindelijke beleid en voert het uit.

Over het algemeen functioneert dit huwelijk vrij harmonieus. En dat is maar goed ook, want beide helften hebben elkaar hard nodig. Onze beslissingen worden vaak door inzichten van beide hersenhelften geïnformeerd, maar soms is hun communicatie verstoord. In je eigen leven herken je het misschien door dit soort uitspraken: ‘Ik weet niet wat het is: die vrouw lijkt heel aardig, maar toch vertrouw ik haar niet.’ Of: ‘Ik weet verstandelijk dat dit een heel pijnlijke situatie is, maar ik voel het nog niet.’ In het eerste geval voelt je rechterhelft iets wat je linkerhelft nog niet in woorden kan uitdrukken. In het tweede geval voorziet de linkerhelft een gevolg dat de rechterhelft nog niet bevat.

De sterke ‘onafhankelijkheid’ van beide helften bleef heel lang onopgemerkt, totdat hersenwetenschapper Roger Sperry patiënten onderzocht bij wie de hersenhelften operatief volledig van elkaar gescheiden waren. Deze mensen lijken vrij op het eerste gezicht normaal, totdat je je goed onderzoekt. De conclusies zijn niets meer dan verbazingwekkend: het lijkt er sterk op dat deze mensen uit twee onafhankelijke personen bestaan, met eigen geheugens, identiteiten en verlangens. Voor dit artikel relevant: telkens waarin expliciet aan de rechterhelft werd gevraagd iets te doen (zonder medeweten van de linkerhelft) verzon de linkerhelft daar achteraf een totaal uit de duim gezogen verhaaltje bij waarom dat gebeurde. Als de rechterhelft een smiley face natekende omdat het dat net op een beeldscherm had gezien, en de linkerhersenhelft moest verklaren waarom dat getekend werd, dan antwoordde het iets onzinnigs als: ‘Hoezo? Wil je dat ik een verdrietig gezicht teken? Ik zie graag gelukkige gezichten.’

Het is de dominante linkerhersenhelft die alles verklaard hebben, zelfs als het geen of onvoldoende kennis van zaken heeft. De linkerhelft komt niet alleen met versimpelde versies van de werkelijkheid, maar ook met onzinnige verklaringen voor wat er gebeurt. En het is er heel slecht in dat eerlijk te erkennen. Talloze onderzoeken naar gezonde proefpersonen laat hetzelfde zien. De linkerhersenhelft is een zwamneus. In een ander grappig onderzoek werd vrouwen gevraagd te kiezen tussen twee nylon panty’s. De vrouwen kwamen stuk voor stuk met aannemelijke argumenten waarom ze de ene en niet de andere panty kozen: ze noemden subtiele verschillen in textuur, kleur of kwaliteit. In werkelijkheid waren het identieke panty’s. Zij rationaliseerden hun keuze zonder dat er enige reden voor was.

Wetenschapsjournalist Rita Carter geeft in haar boek Mapping the mind een goede evolutionaire reden waarom we deze blinde vlek zouden kunnen hebben: ‘De menselijke soort is zover gekomen door het vormen van complexe sociale structuren – van een groep jagers tot een politieke partij – en ervoor te zorgen dat deze harmonieus functioneren. Om een groep te laten functioneren is het nodig dat we er vertrouwen in hebben, en om er vertrouwen in te hebben, moeten we geloven dat deze organisaties gebaseerd zijn op gezonde, rationele beslissingen.’ Op dezelfde manier geeft het rationaliseren van onze beslissingen onszelf het gevoel dat wij geestelijk gezond zijn.

Misschien wordt het inmiddels tijd voor de volgende evolutionaire stap. De ‘linkerhersenhelften’ hebben een zootje van deze wereld gemaakt. We hebben nu vooral mensen nodig die gezond wantrouwen koesteren tegen die onuitputtelijke verklaringswaan van hun linkerhersenhelft. Dan kunnen we misschien samen uitzoeken hoe het wel zit.

Zoals Bertrand Russel, filosoof, ooit al zei: ‘Het probleem met de wereld is dat de idioten zeker van zichzelf zijn en de intelligenten vol zelftwijfel.’

eKudos Nu Jij

Mars en Venus, gezellig op planeet Aarde


Als psycholoog/relatietherapeut word ik vaak geïnterviewd over verschillen tussen mannen en vrouwen. ‘Waarom ze zo anders omgaan met ruzie, geld, sport, humor, seks, competitie, angst…’ – verzin het maar. Het is een onuitputtelijk onderwerp voor vrouwenbladen, en meestal een bron van ergernis voor mezelf. Hoe genuanceerd ik mezelf ook uitdruk, als ik het artikel teruglees, kom ik er bijna altijd uit tevoorschijn als de clichématige seksist. Dat zegt meestal meer over de journalist, dan over mij.

Eén interview in de Linda liet mij iets zeggen als: ‘Vrouwen zijn zeiksnorren.’ Dit uit de duim gezogen citaat stond nota bene als kop bij het artikel. Het was de eerste keer dat ik na een interview zowel romantische koffieverzoeken als haatmail kreeg. De enige vrouw met wie ik vervolgens koffie dronk, vond mij te saai voor een vervolgdate. Prima, ik vond haar een eh… zeiksnor en was volledig sufgepraat. Maar dit terzijde.

Op mijn blog heb ík het voor het zeggen en wil ik enkele misverstanden rechtzetten: hoe verschillend zijn mannen en vrouwen nu echt? Komen vrouwen en mannen van verschillende planeten, zoals de zoetsappige psycholoog John Gray ooit beweerde in zijn bestseller ‘Mannen komen Mars, Vrouwen van Venus’? En zo ja, zijn de verschillen aangeboren of aangeleerd?

Evolutie, seks en liefde
Bijna alle biodiversiteit op deze planeet is het resultaat van seks. Heel veel seks. Grof gezegd: niet God heeft de wereld zorgvuldig uitgedacht, wat je ziet is vrij toevallig bij elkaar geneukt. Twee organismen die zich op mysterieuze manier tot elkaar aangetrokken voelen om genen uit te wisselen. Waarom is dat eigenlijk nuttig? De biologie geeft het volgende antwoord: als de genen van twee wezens zich mengen, behoud je hopelijk het beste van twee werelden, en ontwikkel je nageslacht dat beter bestand is tegen de wreedheden van het leven, zoals parasieten en virussen. De evolutietheorie stelt dat ons belangrijkste levensdoel is ingebakken: genen doorgeven. Ons leven staat daarom – onbewust of bewust – in het teken van seks. Dat wij dit tegenwoordig liefde noemen, maakt de natuur geen zier uit. Als iets de voortplanting (lees: seks) niet in de weg staat, vindt Moeder Natuur het prima.

Veel individuele misverstanden en ergernissen tussen mannen en vrouwen zijn terug te voeren op het feit dat ze evolutionair gezien iets andere belangen hebben. Omdat seks voor de vrouw nogal gevolgen kan hebben – negen maanden zwangerschap en een kleine huilebalk – zal ze van nature selectiever zijn, en op andere zaken in een potentiële partner letten dan een man. De vrouw kan haar pijlen beter richten op een stabiele, betrouwbare man die zijn schaapjes op het droge heeft en lief doet tegen haar poedeltje. Zo’n man kan en wil waarschijnlijk beter voor zijn gezin zorgen. Een man heeft iets andere belangen. Om te zorgen dat zijn genen overleven is het nuttig z’n zaad bij een vruchtbare (lees: jonge) vrouw te deponeren en – als ie ermee wegkomt – dit kunstje bij meerdere vrouwen te herhalen. Deze karikaturale versimpeling van de evolutieleer zien we in de werkelijkheid terug wanneer een bloedmooie, jonge vrouw verkering heeft met een rijke, afgeleefde zakenman die vreemdgaat.

Ondanks alle emancipatie van de afgelopen eeuw, zit hier statistisch gezien nog steeds een kern van waarheid in.

Onderzoek laat zien dat moderne vrouwen op datingsites meer dan mannen letten op (sociale) status, inkomen, opleiding en beroep van hun potentiële partners. Het is een eerste garantie dat een man zich kan focussen op de lange termijn, en dat je wat aan hem hebt. Het verklaart ook waarom veel vrouwen (45 procent) precies dezelfde man aantrekkelijker vinden wanneer ze horen dat hij al bezet is. Ook dat is een garantie dat hij deugt: hij is immers al goedgekeurd door een andere vrouw. Mannen letten weer iets meer op schoonheid en tekenen van jeugdigheid bij hun partners. Daarbij hebben ze meer drang tot seks met verschillende partners en zijn ze minder veeleisend in hun seksuele encounters. Aan de andere kant is voor de gemiddelde vrouw een stuk makkelijker een seksueel avontuur te krijgen: in de praktijk gaan – hoe kan het ook anders – mannen en vrouwen dus ongeveer even vaak van bil (alleen mannen hebben de neiging het aantal veroveringen te overdrijven, terwijl vrouwen het downplayen). Ook gaan ze even vaak vreemd. Daarover straks meer.

Verschillende lichamen, verschillende psyche?
Kracht, lengte, vorm, stem, botstructuur. Dat er fysieke verschillen is overduidelijk, maar in hoeverre die M/V-verschillen ook gelden voor de menselijke psyche is nog altijd het onderwerp van debat. Onderzoeken laten bijvoorbeeld (kleine) verschillen in hersenstructuur en cognitieve vaardigheden zien, maar het is onduidelijk in hoeverre die verschillen aangeleerd of aangeboren zijn. Onze hersenen zijn plastischer dan voorheen werd aangenomen. De menselijke geest is een selffulfilling prophecy-apparaat en mannetjesbaby’tjes vanaf dag één anders behandeld dan vrouwtjesbaby’s. Deze jarenlange conditionering laat zich – net zoals andere aspecten van de opvoeding – uiteraard ook in de volwassen hersenen gelden. Je wordt psychische gezien ten dele wat je doet. De hersenen van een kind met een intellectuele opvoeding zullen licht verschillen van een kind dat vooral een lichamelijke opvoeding krijgt.

Maar omdat grote verschillen tussen mannen en vrouwen pas ontstaan rond de puberteit, kun je een deel van de verschillen veilig aan geslachtshormonen toeschrijven (zoals het ‘mannelijke’ hormoon testosteron en het vrouwelijke hormoon ‘oestrogeen’). In de puberteit maakt een mannenlichaam zo’n tien keer zoveel testosteron aan als een vrouwenlichaam. Vrouwen maken meer oestrogenen aan. Deze hormonen – die sterk met andere hormonen interacteren – katalyseren behalve allerlei fysieke veranderingen, ook complexe veranderingen in verlangens, gevoelens en gedrag. Testosteron stimuleert het beloningsgebied in de hersenen en kan verklaren waarom mannen meer risico nemen en competitiever zijn dan vrouwen. En oestrogeen – vooral in combinatie met het knuffelhormoon oxytocine – heeft een groot effect op sociale relaties. Dit kan helpen verklaren waarom mannen iets taak- en resutaatgerichter zijn, en vrouwen meer empathisch, meer op relaties zijn gericht en iets beter kunnen multitasken. Mogelijk een erfenis uit het jager-verzamelaartijdperk waarin mannen soms dagenlang op jacht gingen, terwijl vrouwen ondertussen op het thuisfront moesten zorgen dat het er geolied aan toeging.

Conclusie: er bestaan (zichtbare en onzichtbare) fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen, maar die worden door culturele verwachtingspatronen en jarenlange conditionering vaak schromelijk overdreven. Bovendien lijkt het erop dat mannen en vrouwen steeds meer op elkaar zijn gaan lijken.

Wat vreemdgaan zegt over M/V-verschillen?
Een interessant weetje: de mate waarin een diersoort ‘monogaam’ is zegt veel over eventuele sekseverschillen tussen mannetjes en vrouwtjes. Biologen hebben ooit een simpele regel ontdekt: hoe groter de verschillen in gewicht tussen mannetjes en vrouwtjes, hoe minder monogaam die diersoort is. Als de mannetjes van een diersoort relatief groot zijn, duidt dit erop dat de vrouwtjes voor de grootste en sterkste partners gaan. Daarmee worden fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen evolutionair gezien beloond en kunnen de mannen alsmaar groter worden. Zo kun je verklaren dat mannelijke walrussen tot vier keer het gewicht hebben van de gemiddelde vrouwelijke walrus. Ze kunnen gemakkelijk door zo’n beest verpletterd worden, maar toch vallen ze allemaal voor het grootste exemplaar dat ze kunnen krijgen.

Mensmannen zijn slechts tien procent groter en twintig procent zwaarder dan vrouwen. Dit betekent dat mensen behoorlijk monogaam zijn in vergelijking tot andere diersoorten en veel op elkaar lijken. We vinden onze gelijken slechts in een paar andere diersoorten zoals zeepaarden, knobbelzwanen, muskusratten, bevers, reebokken, woelmuizen en gibbons. Maar dit was niet altijd zo.

De mens leeft vermoedelijk zo’n twee miljoen jaar relatief monogaam. Voor die tijd waren de lengteverschillen tussen man en vrouw stukken groter, wat wijst op een minder harmonieus seksleven, met meer concurrentie tussen mannetjes zoals we nu nog bij gorilla’s zien die in een haremsysteem leven. De leider van de groep mocht als eerste kiezen met wie hij wilde paren en de andere mannetjes moesten zich zien te redden met wie er overbleef. Volgens evolutionair bioloog Sergey Gavrilets bedachten vrouwen op een bepaald moment in de menselijke evolutie dat het nuttig was om vooral de mannetjes toe te laten die hen te eten gaven. Een ruilvoorstel dus: ‘Als jij mij eten geeft en beschermt, geef ik jou seks.’ Uit dat simpele idee ontstonden vaste banden die uiteindelijk leidden tot exclusiviteit en regels als het huwelijk, zoals wij die nu kennen. Vrouwen beloonden niet meer de grootste en sterkste man, maar zochten meer sociale en monogame mannen. Sindsdien groeien mannen en vrouwen steeds verder naar elkaar toe.

De verschillen vallen op, de overeenkomsten zijn groter
Hoewel de verschillen tussen mannen en vrouwen vaak interessanter zijn en meer opvallen, zijn de overeenkomsten nog altijd veel talrijker. Vrouwen en mannen komen niet van verschillende planeten, John Gray zwamt. Ook zijn ze niet zo verschillend in wat ze van elkaar willen. Als je tegenwoordig aan een willekeurige groep mannen en vrouwen vraagt wat ze in een partner zoeken dan staan vertrouwen en begrip bij allebei op een grote nummer één, boven een mooi uiterlijk, veel geld, goede seks of een bijzondere status. Mensen zoeken uiteindelijk vooral herkenning en begrip in een ander, een maatje bij wie ze zich thuis voelen. Een partner die ze kunnen vertrouwen en die er door dik en dun zal zijn. Natuurlijk, zonder die wederzijdse klik of lichamelijke aantrekking zal er niet veel gebeuren, maar in de praktijk blijkt dat meer te maken te hebben met het creëren van een leuke band dan met een kille evolutionaire onderhandeling.

Onderzoek laat ook zien: voor een duurzame band helpt het als je voldoende op elkaar lijkt. Zoek dus vooral een partner die van dezelfde planeet lijkt te komen en die makkelijk mengt met de rest van je leven. Mensen die op elkaar lijken, hebben over het algemeen minder communicatieproblemen, hoeven zich minder aan elkaar te passen en hebben meer voor elkaar over. Dat geeft bevredigender relaties. Er is hoop voor de liefde!

eKudos Nu Jij

Waarom partners meestal ongeveer even aantrekkelijk zijn?

Soms, als ik alleen op een terras zit en niet naar mijn iPhone staar, kijk ik naar langslopende stelletjes. Altijd grappig om te zien wie met wie eindigt. Meestal is dat niet zo’n verrassing: partners lijken vaak elkaar. Niet letterlijk, maar partners matchen vaak qua aantrekkelijkheid. Een vrouw die van het voltallige terras gemiddeld een zeven zou krijgen, heeft meestal ook een zeven als man. En een negen zie je vaak met een andere negen.

Natuurlijk, beauty is ook in the eye of the beholder, maar wat mensen aantrekkelijk vinden wordt over het algemeen bepaald door een vrij simpele door de evolutie gestuurde formule. Stel dat je alle mannen op de wereld in een blender zou stoppen om daar de ultieme gemiddelde man van te maken: zie daar de perfecte tien. En voor de vrouwen geldt hetzelfde. We houden heus van bijzonderheden – een uitstekende tand, een aparte neus of een licht omhooggetrokken mondhoek – maar dan het liefst bij mensen die verder vrij gemiddeld en symmetrisch zijn. Dat zijn over het algemeen gezonde mensen met een goed immuunsysteem. Een ‘gezond’ uiterlijk is een eerste garantie op gezonde kindjes.

Hoewel mensen graag fantaseren over een relatie met een aantrekkelijkere partner, laat onderzoek zien dat de meeste mensen zich het meest thuis voelen bij iemand die hen fysiek evenaart. Partners die duidelijk niet matchen qua uiterlijk hebben statistisch gezien minder duurzame relaties. Zo’n relatie zal eerder op de klippen lopen. Waarom? Het groene monster. In relaties waar de ene partner een stuk aantrekkelijker is, komt veel vaker jaloezie om de hoek kijken. Om onzekerheid en afwijzing te voorkomen, zoeken mensen tijdens het daten dus vaak op matchende uiterlijke kenmerken. Iemand die ongeveer even knap is, laat ons minder aan onze eigen aantrekkelijkheid twijfelen.

De uitzonderingen bevestigen de regel. Af en toe zie je inderdaad een man met een vrouw aan de hand die fysiek duidelijk zijn meerdere is. Andersom zie je het ook, maar een stuk minder. Vrouwen zijn over het algemeen iets gevoeliger voor de sociale status en portemonnee van een man, mannen zijn meer gespitst op fysieke eigenschappen van een vrouw. Hierom hebben bekende mannen met het uiterlijk van een aardappel soms toch een uitzonderlijk mooie vrouw. Zoals Salman Rushdie en zijn toenmalige vriendin en ex-model Padma Lakshmi. Charisma, humor, geld, charme, intelligentie of sociale manipulatie kunnen het gebrek aan fysieke fraaiheid best compenseren. Het gebrek van de ene ‘attractor’ wordt vaak gecompenseerd door een andere. Zo zie je ook vaker geestelijk getroebleerde mensen met een mooi uiterlijk samenklonteren met een minder mooie, maar geestelijk stabiele partner.

Ondanks dat relaties met ongeveer even aantrekkelijke partners het meest duurzaamst blijken, is er een uitzondering: als twee fysiek niet-matchende partners daarvoor langere tijd als vrienden met elkaar omgingen is de kans op een fijne, duurzame relatie wel weer een stuk groter. Aldus dit onderzoek. Als de connectie zich al bewezen heeft en er voldoende seksuele aantrekkingskracht is, wordt fysieke gelijkwaardigheid iets minder belangrijk gevonden.

Bron: The Social Psychology of Attraction and Romantic Relationships (2015). Madeleine A. Fugère, Jennifer P. Leszczynski, Alita J. Cousins.

eKudos Nu Jij