Category: Geluk & gezondheid

De stille kracht van meditatie

Mediteren wordt nogal eens gezien als een geitenwollensokken-activiteit voor overspannen moeders en mensen die anderszins met de ziel onder hun arm lopen (en denken dat Oosterse spiritualiteit daar een oplossing voor heeft). Wie anders verdoet vrijwillig tijd met stilzitten, terwijl je ook luiers kunt verschonen of autovelgen kunt poetsen?

Mensen die zoeken naar de Diepere Lagen des Levens (en/of verlichting van hun mentale ruis) staan vaak open voor ‘zweverige’ onderwerpen. Er bestaan nogal wat controversiële randgebieden die verklaringen en hoop bieden waar de wetenschap dat vooralsnog nalaat. Je zou meditatie zweverig, spiritueel of zelfs religieus kunnen noemen, maar laat ons vandaag niet twisten over woorden. We kunnen het onderwerp meditatie ook wetenschappelijk belichten, ontkoppeld van haar boeddhistische achtergrond en termen als ‘reïncarnatie’, ‘verlichting’ en ‘hogere Zelf’. We hebben die niet nodig om het nut ervan te kunnen vaststellen. Wetenschappelijk gezien is het inmiddels duidelijk: meditatie is goed voor bijna alles. Net als slapen, gezond eten en lopen.

Ja, echt. Mensen die leren aandacht voor het hier en nu te hebben doen zich zichzelf veel goeds. Dertig jaar onderzoek naar mensen die regelmatig mediteren laat zien dat het ze stukken minder neurotisch, gestresst en angstig maakt. En dus gelukkiger. De voordelen zijn mentaal en lichamelijk. Voor zowel spirituele mensen als hun tegenhangers. Op verschillende gebieden: sport, werk, relaties, liefde, creativiteit. Voor een ‘activiteit’ die de meesten als ‘nutteloos en oersaai’ terzijde zouden schuiven is het effect gerust verbazingwekkend te noemen.

Hoe kan stilzitten zo’n krachtig effect hebben? Het is minder mysterieus dan het lijkt. Het gaat over het stillen van je brein. Wij zijn in zekere zin allemaal namelijk knetterknots (zonder het door te hebben) en meditatie blijkt daar een prima medicijn voor. Als we iemand op straat tegen zichzelf horen praten vermoeden we dat deze persoon geestelijk ziek is. Daarom houden wijzelf de kaken stijf op elkaar. We willen niet voor gek versleten worden. We zijn sociaal aangepast, maar ondertussen kakelen wij binnensmonds wel onophoudelijk tegen onszelf. De hele dag door, slechts onderbroken door een slaapje. We mijmeren continu over wat gebeurd is, wat we moeten doen en wat we liever zouden doen. Het vreemde is dat we (meestal) geeneens door hebben dat we het doen. Het is een automatisme waar we blind voor zijn.

Vraag je jezelf nooit eens af: tegen wie praat ik eigenlijk? Wie praat met wie? En waarom die eindeloze herhalingen van precies dezelfde gedachten en uitspraken, en bijbehorende gevoelens. We zijn zo gewend aan die gedachtestroom, dat het aanvankelijk lastig is dit te herkennen, laat staan te veranderen. Nog minder beseffen we hoe ons geestelijk lijden hierdoor wordt gecreëerd en in stand word gehouden. We weten niet eens dat dit ons ongelukkig maakt.

Onderzoeker Matt Killingsworth maakte een app om te ontdekken wanneer precies mensen op hun gelukkigst zijn. Telkens als een piep afging rapporteerden proefpersonen wat ze deden, hoe gelukkig ze waren en waar ze aan dachten. De resultaten verbaasden hem. Het maakt weinig uit wat je doet, als je je aandacht er maar bij hebt. Geluk is vooral een ‘hier en nu’-ding, onafhankelijk van de bezigheid. Of het nou afwassen, eten of seksen is. Als we in gedachten verzinken, gaat de aandacht al snel naar onplezierige zaken. Zorgen, angsten, twijfels, over wat we missen of wat er mis zou kunnen gaan. We denken obsessief na over gelukkig zijn in de toekomst en vergeten om daadwerkelijk gelukkig te zijn.

Natuurlijk, het zou onnozel zijn om het denken zelf te bagatelliseren. Lineair en logisch denken is essentieel. Het is nodig om te plannen, relaties te onderhouden, een huis te bouwen, wetenschap te bedrijven en mensen te opereren. Dat staat buiten kijf. Maar de vereenzelviging met die onophoudelijke gedachtestroom – zonder die te herkennen als losse, vluchtige verschijningen in je bewustzijn – is de bron van psychisch leed en verwarring. We hebben ten onrechte het gevoel dat wij die babbelkous in ons hoofd zijn. Meditatie is een manier om die (bij tijd en wijle neurotische, veroordelende) spookfiguur in je hoofd minder serieus te nemen: een oefening in geduld om hem te negeren. Op een gegeven moment houdt ie gewoon zijn mond als hem niks gevraagd wordt. Dat voelt als pure vrijheid.

Het loont daarom aandacht te trainen en te doorzien hoezeer je geleefd wordt door die mallemolen van gedachten. In zekere zin leert meditatie om je ervan te onthechten. Niet door je gedachten en gevoelens als indringers te veroordelen, maar om de vluchtigheid en onechtheid ervan te zien. En denk niet dat dit je onverschillig of ongevoelig maakt. Integendeel, een gestild brein is juist erg wakker. De verhoogde alertheid maakt dat je weer oog krijgt voor je omgeving (in plaats van je innerlijke spoken) en daar een rechtstreekse connectie mee krijgt. Dit verklaart waarschijnlijk ook waarom ouderen die omwille van de wetenschap leerden mediteren zich naar verloop van tijd minder eenzaam voelden.

De positieve effecten van meditatie kunnen hersenonderzoekers, middels hersenscans, direct in het brein terugzien. Als de oppervlakkige ruis in je brein tot rust komt, is je brein op andere vlakken juist heel actief. Tijdens meditatie synchroniseren de hersenen hun activiteit en werken afzonderlijke delen beter samen. De overactiviteit in sommige delen (die wij ervaren als piekeren of angst) neemt af, andere hersengebieden, geassocieerd met medeleven, geluk en creativiteit, nemen juist in activiteit toe. Net zoals je je spieren kunt trainen, geldt dat ook voor je brein. Regelmatig mediteren verandert de structuur van je hersenen. De effecten laten zich al na een paar dagen oefening zien, maar voor een echt duurzaam effect is tijd nodig. Net als bij elke andere vaardigheid vraagt het oefening en doorzettingsvermogen voordat meditatie een gewoonte wordt en fijn voelt.

Wil je leren mediteren? Veel heb je niet nodig.

Zoek een rustige plek, waarvan je weet dat je niet gestoord wordt, en ga met rechte rug in een comfortabele houding zitten. Gebruik een stopwatch (5-30 minuten) of zoek een geschikte begeleide mediatie op youtube of hier.

Sluit je ogen, adem een paar keer diep in en kom in het hier en nu. Luister naar de geluiden om je heen en voel de sensaties in je lichaam.

Probeer nu zonder harde dwang je aandacht bij het in en uitgaan van je adem te houden. Laat je adem zo natuurlijk mogelijk zijn gaan gaan. Voel hoe de adem vanzelf je neusvleugels binnenkomt en je abdomen heen en weer beweegt. Je hoeft er alleen maar op te letten.

Elke keer dat je merkt dat je gedachten afdwalen richt je je aandacht weer op je adem. En opnieuw. En opnieuw. Totdat de stopwatch afgaat of de begeleide mediatie afloopt.

Terwijl je je aandacht richt op je adem zul je merken hoe geluiden, gedachten, sensaties, gevoelens, beelden in en uit je bewustzijn komen.

In het begin is het fijn en nuttig om begeleide meditaties te doen. Je kunt er hier alvast een paar uitproberen.

eKudos Nu Jij

Hoe onderzoek naar telepathie de liefde verandert

Psycholoog James Laird vroeg ooit een aantal mensen mee te doen aan een onderzoek naar telepathie. Telkens moesten een man en een vrouw elkaar lang en diep in de ogen kijken om te raden wat de ander dacht. Dat klinkt bij voorbaat al vrij kansloos, aangezien dit omwille van de wetenschap al vaker is geprobeerd, zonder enig resultaat. En inderdaad, na het zorgvuldig analyseren van de resultaten bleek voor de zoveelste keer geen bewijs voor bovennatuurlijke krachten. Dat blijft jammer. Toch was dit specifieke experiment meer dan geslaagd.

Laird onderzocht namelijk iets anders. Hij wilde weten of mensen die elkaar lang in de ogen kijken zoals geliefden dat doen ook iets van de bijbehorende aantrekking en verliefdheid meekrijgen. Zijn hypothese bleek wonderwel te kloppen. Bijna alle proefpersonen kregen speciale gevoelens voor hun telepathische partners. Die varieerden van lichte verliefdheid tot diepe affectie. Dit onderzoek verraadt een belangrijk principe van de menselijke geest: wat we doen is vaak bepalender voor ons gevoel dan wat we denken.

Ons brein negeert dit haast onbenullige inzicht meestal. We zijn namelijk zo gewend dat ons gedrag en gevoel in een specifieke en vaste volgorde verschijnen, dat we blind lijken voor situaties waarin het andersom is. We lachen nadat we een leuke grap horen. We dansen als we lekkere muziek horen. We raken gestresst wanneer we overvolle agenda’s openslaan. We denken na over oplossingen als we een probleem ervaren. Via de schijnbare Orde der Dingen menen we ook te kunnen voorspellen hoe we ons in toekomstige situaties zullen voelen. Wanneer we ons klote voelen, proberen we de vermeende oorzaken ervan te achterhalen om zo snel mogelijk weer gelukkig te zijn. We denken bijvoorbeeld: ‘Als ik weer seks heb, voel ik me weer gewaardeerd.’ Of: ‘Eerst mijn zelfvertrouwen en spieren opkrikken, dan komt die vriendin vanzelf wel.’

Onderzoek laat zien dat we zo’n 30-50 % van onze tijd verdoen aan nadenken over andere dingen dan waar we op dat moment mee bezig zijn. We hebben het hier niet over constructief, oplossingsgericht denken om tot actie te komen, we hebben het over dagdromen, tobben en cirkeltjesdenken. Over alles wat mis is, of mis kan gaan. Over deadlines, gemiste kansen, vluchtige ontmoetingen, schuldvragen, kapotte auto’s, vervelende conversaties en gemaakte fouten. Waarom pijnigen we onszelf zo? Om in de toekomst gelukkig te kunnen zijn natuurlijk. We veronderstellen dat erover nadenken ons uiteindelijk naar verlossing zal leiden. We vermoeden dat wanneer we de problemen in ons hoofd oplossen en onze gedachten ordenen, dat wij ons beter zullen voelen. In de praktijk kunnen echte piekeraars soms uren, dagen, nee maanden en zelfs jaren tobben zonder dat er structurele verbeteringen in hun gevoelsleven plaatsvindt. Piekeraars eindigen vaak doodmoe bij een therapeut op de bank. Zij nemen hun gedachten veel te serieus. En dat doen we in meer of mindere mate allemaal.

Als het om geluk, liefde en succes gaat overschatten wij systematisch het nut van ons denken en onderschatten we het effect van de context waarin we ons bevinden en het gedrag dat we daarin uitvoeren. We beseffen vaak onvoldoende hoe onze subjectieve beleving achter de schermen van ons bewustzijn tot stand komt. Die wordt namelijk veel meer gebouwd door de ‘toevallige’ omstandigheden van het moment dan we ons realiseren.

Een paar voorbeelden over de invloed van gedrag en contect uit onderzoek naar geluk:

Een sterke of dominante houding aannemen – voeten op je bureau, breed staan, rug recht, handen in je zij of armen over elkaar – geeft meteen een zelfverzekerder gevoel. Door alleen al je spieren aan te spannen, kweek je meer wilskracht om vervelende taakjes gedaan te krijgen. Dat geldt ook voor rechtop zitten. Mensen die tijdens een dieet gevraagd wordt om hun vuisten te ballen als ze iets lekkers gepresenteerd krijgen, vallen meer af dan mensen die dat niet doen. Een potlood tussen je tanden doen maakt je gelukkiger. Het stimuleert je lachspieren en je hersenen maken er de bijbehorende geluksstoffen bij aan. Je lacht niet omdat je je blij voelt. Je voelt je blij, omdat je lacht. (Bron.)

Over naar het domein van de romantiek:

Je vindt een toevallige passant aantrekkelijker als je die tegenkomt op een hangbrug dan op het trottoir. Verklaring? Je hartslag is boven op de brug sneller en dat versterkt de aantrekkingskracht. Daarom ook kun je op een eerste date beter in de botsautootjes gaan dan een suffe romantische film kijken. Als je wilt dat een vrouw warm van je wordt, dan kun je haar beter een kopje warme thee schenken dan koude frisdrank. De fysieke warmte wordt deels vertaald naar een soort persoonlijke warmte. Ook broodbaklucht, zwoele muziek, rode kledingstukken, grote pupillen, toevallige aanrakingen, horrorfilms, bloemengeuren en ongemakkelijke momenten blijken de hersenen ontvankelijker te maken voor liefde. In sommige gevallen gaat dit om echt grote effecten. In onderzoek naar verleiding- en verkooppraatjes waarbij het enige verschil een schijnbaar vriendschappelijke aanraking op de schouder was, hadden de casanova’s en verkopers (M/V) een derde tot de helft meer succes. Je wordt verleid door je onderbewuste zonder het te weten.

Ook langdurige liefde werkt volgens dit soort onbewuste patronen.

Partners die samen iets spannends doormaken – zoals omwille van de wetenschap aan elkaar vastgetapet door een grote betonnen buis kruipen of meedoen aan een danscompetitie – blijken achteraf een stuk meer verliefd dan de stelletjes die uit eten gaan of een ontspannen cruisetochtje maken. Alles wat het lichaam opwindt, helpt ook liefde stromen. Samen uit de comfortzone gaan is goed voor de relatie. De roes van het avontuur versmelt zich met de band die je voor elkaar voelt. Bovendien wordt die band intenser omdat je elkaar moet helpen en vertrouwen. Dat schept een mooie gelegenheid om elkaar opnieuw het hof te maken. Oude romantische rolpatronen worden zo opnieuw geactiveerd. (Bron.)

Kortom, de wereld is minder logisch dan hoe wij haar ervaren. Laird laat dat met zijn onderzoek mooi zien. Ons onderbewuste maakt onophoudelijk een intuïtieve optelsom van alle prikkels die het krijgt en wordt daarbij beïnvloedt door grilligheden in het hier en nu die wij domweg niet opmerken. Ons brein blijkt daarbij erg slecht te discrimineren tussen waarheid en fantasie; oorzaak en gevolg: emoties en lichamelijke sensaties; verleden, heden en toekomst. Die worden op een hoop gegooid. Wij vertalen die ongedifferentieerde boodschappen van ons onderbewuste achteraf in de verklaring die ons het meest aannemelijk lijkt. Zonder er ooit achter te komen of we het wel bij het rechte eind hebben. Dat maakt vaak ook niet zoveel uit.

Een ding kun je aannemen: wanneer je gelukkiger wilt worden kun je het nadenken en filosoferen daarover beter uitbesteden aan vakidioten zoals mij. Erover denken leidt vooral tot nog meer denken. Als je jouw stemming en die van de mensen om je heen wilt beïnvloeden is er weinig beter dan weerstand overwinnen en te sporten, lachen, dansen en lief te hebben. Wie doet alsof de wereld vol liefde en geluk is, treft die namelijk veel vaker.

Dit artikel is een bewerking van een hoofdstukje uit het boek Liefde in tijden van Facebook.

eKudos Nu Jij

Het probleem met psychologische diagnoses (en woorden in het algemeen)?

Het probleem met psychologische diagnosesMet psychologische termen en diagnoses kun je lekker smijten. De depressies, burn-outs, autistische partners, narcistisch bazen, bindingsangstige minnaars, minderwaardigheidscomplexen en allerhande verslavingen vliegen ons tegenwoordig om de oren. We speculeren graag over afwijkend gedrag van sterren, kennissen en vrienden. Gisteren nog werd mij door een tv-programma gevraagd of Gordon een narcist is? ‘Omdat ie zoveel ruzie zoekt.’

Dit diagnostische ‘jargonkletsen’ wekt misschien de suggestie dat iemand verstand van zaken heeft, tot nieuwe inzichten leidt het zelden. Ook niet als professionals het doen.

Wanneer wordt lastig gedrag een heuse psychische stoornis?
Ben jij van nature wat somber of heb je een klinische depressie? Kan jouw partner gewoon erg slecht tegen onzekerheid of heeft ze een obssesieve-compulsieve stoornis? Heeft je kind ADHD en bijhorende leerproblemen, of is hij vooral een energiebommetje dat meer aan sport moet doen? Is je baas een arrogante kwast die te lang in een koorballencultuur heeft meegedraaid of een narcist? Is jouw buurvrouw iemand die zich graag verliest in geestverruimende activiteiten of een drugsverslaafde? Verwarrend hoor, woorden.

Laten we over het volgende alvast glashelder (en wetenschappelijk) zijn: in het brein bestaan geen categorieën. De hersenen zijn een grote homp grijze massa, bestaande uit miljarden zenuwcellen die met elkaar in verbinding staan. Ergens ontstaat daaruit het ik-gevoel plus bijbehorende verzameling neigingen, gewoonten, angsten, impulsen en verlangens. Allemaal zaken die wederzijds invloed op elkaar uitoefenen. En die in sommige situaties of omgevingen voor problemen zorgen. En in andere juist voor succes of geluk.

Psychologische diagnoses zijn per definitie misleidend. Ze duiden (meestal) geen zichtbaar beschadigde hersengebieden: het zijn interpretaties over een complexe interactie tussen lichaam, brein, persoonlijkheid, gedrag en omgeving. Er is geen wetenschappelijke basis voor psychologische diagnoses. Het zijn slechts afspraken over welk label we de combinatie van een rijtje gedragingen geven. Diagnoses zijn misschien nuttig als communicatietool voor de mensen die ermee werken (therapeuten, cliënten en zorgverzekeraars), verder werken ze gemakkelijk verwarring in de hand. Vooral wanneer we vergeten dat een mentale diagnose als ‘borderline’ niet vergelijkbaar is met een medische diagnose als ‘blindedarmontsteking’. De meeste therapeuten en psychiaters weten dat heus: zij hanteren daarom uiteindelijk het lijden van hun patiënten (of hun omgeving) als belangrijkste graadmeter om een behandeling te starten.

De geboorte van psychiatrische diagoses
In plaats van licht te schijnen op de menselijk gedrag en het brein hebben de oerpsychologen ons op een dwaalspoor gezet met hunnie moeilijke woorden en zelfverzonnen hokjes. Even een kort historisch overzicht om psychiatrische diagnoses in perspectief te plaatsen:

De psychiatrie is een piepjonge wetenschap die niet lang geleden nog voor een groot gedeelte bestond uit het associëren theoretiseren over menselijk gedrag en het doen van wilde experimenten. Dat laatste ging er soms barbaars aan toe. Overspannen mensen werden bijvoorbeeld in ijswater gedompeld, gekneveld, verdoofd met paardenmiddelen of met zware elektrische schokken tot rust gemaand. Er werd gretig in hersenen geboord en gesneden om te kijken hoe patiënten reageerden. En, recentelijk, na de Tweede Wereldoorlog zijn er in Amerikaanse klinieken levens verwoest door het toedienen van belachelijk hoge doses LSD aan patiënten in ‘isolatiecellen’. De verantwoordelijke psychopaat psychiater wilde testen of hij de geheugens van zijn patiënten kon resetten zodat ze helemaal opnieuw konden beginnen. Echte horror. Als je het zonnig bekijkt: we hebben er veel van geleerd. Al het pionieren is lastig en je moet ergens beginnen, nietwaar?

Het zijn slechts een paar illustere voorbeelden van hoe de psychiatrie zich op de wetenschappelijke kaart heeft geprobeerd te werken. Ons huidige diagnostische systeem is een erfenis van die tijd. Om gaten in hun kennis te verbloemen (en toch wetenschappelijkheid en autoriteit uit te stralen) deden de zielendokters witte jassen aan en gaven vreemd (en niet zo vreemd) gedrag sjieke, latijnse namen. Zoals: neurasthenie, hysterische neurose en de allerbeste: dysaethesia aethiopica of drapetomanie. Dit laatste was de ‘waanzinnige’ drang van slaven om vrij te willen zijn. Je moest als slaaf wel gek zijn om te willen vluchten van een baasje dat jou onderdak, veiligheid en eten verschaft, toch?

Omdat de geestelijke gezondheidszorg eeuwenlang verdoemd leek tot een studie van de subjectieve beleving, kon elke kwakzalver zijn wilde theorieën zomaar aan de man brengen. Als een paar van de patiënten het gevoel hadden dat jouw schreeuw-het-er-maar-uit-therapie werkte was het al snel goed. Er waren simpelweg nog geen goede wetenschappelijke alternatieven. Hierdoor was het ook mogelijk dat elke psychiatrische en therapeutische school eigen diagnostische criteria hanteerde volgens een uniek specifiek wereld- en mensbeeld. De diagnostische criteria verschilden uiteraard ook per cultuur. Waar je elders een dwangbuis zou krijgen wanneer je iets te lang een aap imiteerde, kon je in India zomaar worden aangezien voor de heilige incarnatie van Hanuman, de Apengod. In dat geval kreeg je een bloemenkrans, en een schare volgelingen.

De geboorte van de DSM
In de jaren vijftig besloten de grote psychologen de koppen bij elkaar te steken en iets aan de verwarring te doen. Ze wilden uniformiteit en wetenschappelijkheid in de wereld van de psychische klachten brengen. In 1952 verscheen daarom het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, kortweg DSM. Het officiële Groene boekje van psychische aandoeningen. Dat was alvast een hele verbetering. Nu was de verwarring tenminste duidelijk in kaart gebracht. Door deskundigen die wetenschappelijk onderzoek begrepen en zich vaak jarenlang hadden vastgebeten in het verhelpen en onderzoeken van specifieke psychische klachten.

‘Het doel was nobel. Niet geld verdienen of medicijnen verkopen, maar mensen helpen.’ Dat meent psychiater en oud-redacteur van de DSM-III, Allan Frances. ‘Maar inmiddels zijn we ons doel ver voorbij geschoten met de vijfde versie van de DSM.’ In zijn boek ‘Terug naar Normaal’ waarschuwt Frances voor de DSM-V die deze maand (mei, 2013) verschijnt: “We zijn doorgeschoten in diagnoses voor stoornissen die geen serieuze stoornis zijn. Te lang rouwen en vergeetachtigheid zijn voorbeelden van vrij normale toestanden die niet geproblematiseerd hoeven worden worden en die nu wel als stoornis worden neergezet. We leven in een tijd van diagnostische inflatie en overmedicatie. De oorzaak daarvan is dat de definities van stoornissen om volledig te zijn steeds ruimer zijn geworden.” Kinderen die temperamentvol en driftig zijn, krijgen de diagnose bipolaire stoornis of ADHD. De symptomen zijn niet toegenomen. Kinderen krijgen alleen veel sneller het etiket opgeplakt plus bijbehorende medicatie en bijwerkingen. In Amerika waar farmaceuten hun pillen mogen verkopen en aanprijzen alsof het om waterijsjes gaat is dit problematisch. In Nederland is de invloed van de farmaceutische industrie een stuk minder groot, maar toch.

Frances zelf is niet antipsychiatrie, maar vindt dat de DSM zich moet beperken tot de mensen die echt psychische zorg nodig hebben. De DSM-III (1987) is volgens hem een betere leidraad dan de meest recente. De DSM-III bestaat uit voldoende basiscategorieën om de clinicus op weg te helpen, maar verder moet deze met zorg en aandacht samen met de patiënt uitzoeken wat een goede behandelstrategie zou kunnen zijn. Zo zou het volgens Frances moeten zijn. ‘Het gevaar is nu dat je het nadenken kunt overlaten aan een boek en diagnostische vragenlijst. Je telt de beschreven symptomen bij elkaar op en leest welke medicijnen of behandeling daar voor gebruikt worden.’

Onze haatliefdeverhouding met hokjesdenken
Diagnoses zijn noodgedwongen een simplificatie, bedoeld om voor professionals om sneller en beter te communiceren. Dat is altijd gevaarlijk. We weten ook tegenwoordig nog bar weinig van het menselijk brein. Ondanks het ontbreken van een wetenschappelijke basis voor psychologische diagnoses, krijgen deze labels in de praktijk wel betekenis. Als de hulpverlener doet alsof het label op waarheid berust, en daardoor minder oog heeft voor de daadwerkelijke, unieke toestand van de cliënt, dan is hij misschien wel net zo verward als degene die hij probeert te helpen.

Het taalgebruik in de DSM roept die verwarring op. Hoewel de betrokken psychologen en psychiaters het gevaar van wollig woordgebruik kennen en met hun diagnoses bepaald niet over een nacht ijs gaan, blinkt de DSM niet bepaald uit in helderheid. Het onderscheid tussen gedrags-, stemmings- en persoonlijkheidsstoornis veronderstelt alvast een vals onderscheid tussen gedrag, stemming en persoonlijkheid. Waar eindigt een gedragsstoornis en wordt het een persoonlijkheidsprobleem? Stoornissen en aandoeningen veranderen regelmatig van naam, of van definitie. Sommige worden geschrapt (homoseksualiteit), andere komen erbij (gokverslaving, eetbuistoornis). In de praktijk kun je dit soort taferelen (hilarisch filmpje) verwachten.

Natuurlijk, je moet ergens een lijn trekken om psychische klachten te categoriseren, maar een groeiende groep deskundigen pleit voor een logischere kijk op geestelijke (on)gezondheid. Eentje die het brein als basis neemt. We hebben hiervoor de tijd mee. Hersenonderzoekers leren door moderne hersensscantechnieken steeds meer over de soms ingewikkelde relaties tussen specifieke hersendelen, neurotransmitters en verschillende subjectieve toestanden die daarmee corresponderen. Zo leren we steeds beter hoe verschillende hersencircuits bepaalde klachten in stand houden en verergeren. Dit geeft een basis voor nieuwe definities over persoonlijkheid en psychische klachten. De Amerikaanse neuroloog Richard Davidson doet op dit gebied baanbrekend werk. Na jarenlang turen in de breinen van zijn proefpersonen legt hij ‘in zijn laatste boek ‘Training the emotional brain‘ een nieuwe biologische basis bloot voor verschillen in persoonlijkheid, emotionele stijl en het veranderen daarvan. Hij doet een eerste poging om de inzichten uit hersenonderzoek te synchroniseren met de traditionele kijk op persoonlijkheidstypen en gedragsverandering. Hij hoopt hiermee een paradigmaverschuiving te bewerkstelligen in hoe we psychische stoornissen beschrijven en behandelen.

Mensen die bang zijn dat de wetenschap ons gevoelsleven alleen verder zal proberen te ‘moleculiseren’, om geschikte pilletjes te maken, hebben het mis. Het voortschrijden van de wetenschap leidt niet noodzakelijk tot meer meer invloed van de farmaceutische industrie. Meer inzicht betekent ook effectievere behandelingen zonder pillen. Zo zijn therapeuten tegenwoordig minder bezig met het eindeloos graven in iemands verleden of het domweg dempen van gevoelens middels medicatie. De inzichten van mensen als Davidson laten zien dat de hersenen flexibeler zijn dan werd aangenomen en soms met relatief simpele methodes kunnen veranderen. Een simpel rollenspel of regelmatig mediteren kunnen soms al wonderen doen. Ook dagen er hoopvolle inzichten voor nu nog onbehandelbare stoornissen als schizofrenie en autisme. Recent hersenonderzoek laat ook zien dat veel diagnoses pas worden gesteld als het te laat is. Namelijk als de bijbehorende gedragsveranderingen waarneembaar worden. De ontwikkeling van bijvoorbeeld schizofrenie kan in het brein al jaren eerder worden ontdekt, zonder dat de symptomen zich uiterlijk manifesteren. We weten ook dat vroeg ingrijpen de kans op het ontwikkelen van schizofrenie kan verkleinen.

Tot slot
De geestelijke gezondheidszorg is werk in uitvoering en staat als wetenschap in de kinderschoenen. In elke wetenschap kun je excessen, misverstanden en debatten verwachten. In zo’n complex werkveld als de psychologie des te meer. Het doel van psychotherapie zou moeten zijn om met zo min mogelijk bijwerkingen, interventie en afhankelijkheid van de therapeut cliënten klachtenvrij en onafhankelijk te maken. Daar bestaat bij de meeste hulpverleners gelukkig grote consensus over.

Zie hier een korte lezing (13 minuten) van Thomas Insel waarin hij pleit voor een een andere kijk op psychische problemen.

Update: The National Institute of Mental Health, het grootste GGZ-centrum in de wereld, staat niet achter DSM-V en trekt steun terug

eKudos Nu Jij

Doe je waar je in gelooft? Geloof je in wat je doet?

Heb je vertrouwen in de toekomst? Reageer je ongemakkelijk als iemand in een volle tram je vraagt welke politieke partij je stemt? Eet je ecologisch? Vind je het belangrijk om goed belezen te zijn? Doe je je best om gezond en fit te blijven? Zeg je makkelijk ‘nee’ tegen verzoeken van anderen? Maak je snel een praatje met anderen?

Jouw antwoorden op die willekeurige vragen verraden enkele zaken die jij over jezelf en de wereld bent gaan geloven. Het bolwerk van deze veronderstellingen geven jou een coherente kijk op het leven en geven jouw gedrag richting. Jouw specifieke wereld- en zelfbeeld bepalen heel direct jouw dagelijkse acties en hoe je met anderen omgaat. Twijfel je daaraan? Probeer je in te denken hoe het zou zijn als je de volgende veronderstellingen écht zou geloven:

1. Je hebt nog een maand te leven
2. Je bent ervan overtuigd dat jij de nieuwe Messias bent
3. Je hebt een miljoen euro gewonnen in de loterij

Het zijn slechts woorden… totdat je ze gelooft. Op het moment dat deze gedachten als werkelijkheid voelen, bepalen ze hoe je je leven inricht. Het geloof in die gedachten vertaalt zich in specifieke gevoelens, verwachtingen en acties.

Als je wilt veranderen kom je er niet onderuit een aantal van je huidige veronderstellingen onder de loep te nemen en uit te dagen. Klopt het wel echt wat ik denk? Zijn er ook andere verklaringen? Je kunt van alles willen, maar verandering wordt bijna altijd tegengegaan door beperkende aannames over jezelf en je mogelijkheden. Sommige beperkingen – zoals een fysieke handicap – heb je maar te accepteren, andere zijn waarschijnlijk niets meer dan aangeleerde gewoonten die je kunt veranderen. Maar niet zonder slag of stoot.

Stel dat je wat spontaner en charmanter zou willen reageren op de mensen die je ontmoet. Misschien weet je zelfs hoe dat eruit zou zien. Je weet bijvoorbeeld dat vrienden vaak om jouw grappen lachen. De mensen bij wie je je op de gemakt voelt. Toch vertaalt die wetenschap zich lang niet altijd niet naar je gedrag als je op een feestje met onbekenden bent, of wanneer je iemand aantrekkelijk vindt. Dan word je ineens hyperbewust van jezelf. En geremd. Dan komen die weerstanden ineens weer op, en voel je je onhandig, misschien zelfs onaantrekkelijk.

Een heel ander voorbeeld. Veel werknemers worstelen met het woord ‘nee’. Ze hebben bijvoorbeeld een veeleisende baas die veel van hen vraagt. Meer dan ze aankunnen. Telkens nemen ze zich voor ‘nee’ te zeggen op het volgende rekwest. Totdat ze zichzelf weer tegen hun baas horen zeggen: ‘Ja, is goed, kijk ik wel even naar.’ Dat kan jarenlang zo doorgaan, totdat een burnout hen dwingt om ‘nee’ te zeggen.

Het lastige is dat veel veronderstellingen niet overeenkomen met hoe we er in een rationele bui over denken. Veel mensen weten best dat anderen niet meer (of minder) waard zijn dan zijzelf, en toch gedragen ze zich daar niet naar. Ze laten anderen de agenda van hun leven bepalen. Ze weten dat het vriendelijk weigeren van het zoveelste verzoek van een baas best redelijk is, en toch voelen ze dat ze ‘ja’ moeten zeggen. Uit angst dat de baas het toch niet begrijpt en een andere werknemer zal gaan voortrekken. Veel mensen weten ook dat vliegen statistisch gezien een van de veiligste manieren van transport is. Hun neiging te hyperventileren als het zover is laat zien dat ze daar toch niet helemaal van overtuigd zijn.

Er is heel vaak een conflict tussen wat we voelen en denken. En het gevoel wint daarbij meestal. Het veranderen van oude veronderstellingen is daarom lastig. Ze voelen als van jouzelf. Ze zijn vervlochten geraakt met je identiteit en je kunt ze – zelfs als ze je tot last zijn – niet zomaar opzij schuiven.

Een periode waarin je deze ‘beperkingen’ bewust uitdaagt en test kan maken dat je andere dingen over jezelf gaat geloven. En zoals inmiddels duidelijk moge zijn: ‘anders denken’ is niet genoeg. Om te veranderen moet je experimenteren met ander gedrag. Je gevoel verandert pas als je nieuwe ervaringen opdoet die de oude veronderstellingen laten afbrokkelen.

Soms kan slechts één nieuwe ervaring kan in een keer een oude veronderstelling teniet doen. Daar zit een eenvoudig principe achter. Je kunt bijvoorbeeld overtuigd zijn dat alle zwanen wit zijn. Je hoeft er maar eentje tegen te komen die zwart is om dat geloof in duigen te laten vallen. Ik dacht ooit dat ik nooit een coherent praatje voor een groep van meer dan vier mensen kon houden. Dat wist ik zeker. Helaas kon ik mijn afstudeerpresentatie niet vermijden. Ik moest – hopelijk voor het allerlaatst – de vernedering van mijn onkunde publiekelijk aangaan. Ik was overtuigd dat mijn goed voorbereide praatje in de soep zou draaien. Er was wat wodka voor nodig om mijn zenuwen te kalmeren en ik had het goed voorbereid. Wonderwel ging het redelijk. Er werd zelfs gelachen.

Voor de andere aanwezigen was dit het zoveelste praatje waar ze verplicht bij moesten zijn, voor mij was het een overwinning. De deur naar een leven waarin ik iets durfde te zeggen in groepen. Het niet confronteren van jouw angsten en weerstanden is jezelf de mogelijkheid ontzeggen om uit oude beperkende veronderstellingen te groeien en gelukkiger en succesvoller door het leven te gaan. Vermijding is de slechtste strategie als je een vruchtbaarder leven wilt leiden. Zelfs aan positief denken heb je weinig, je moet positief doen. Dingen op een andere manier doen is de koninklijke route naar verandering.

Doe je waar je in gelooft? Geloof je in wat je doet? Geeft niks. Gewoon nog een tijdje oefenen en doen alsof dat wel zo is. Slecht één positieve ervaring kan alles veranderen.

eKudos Nu Jij

Blinde vlek: je wordt rijk en succesvol door naar een seminar te gaan waar ze je leren rijk en succesvol te worden

Kun je rijk worden door een seminar te bezoeken als deze. Of deze? Deze. Misschien deze. En hier. Nee, daar. Ach, zoek zelf maar.

Je kunt jezelf het entreegeld voor zo’n duurbetaalde seminar besparen. Ik kan je namelijk hier en nu haarfijn uitleggen waar die bijzondere methodes om miljonair te worden uiteindelijk op uitdraaien: vertel anderen dat ze rijk, succesvol en gelukkig kunnen worden en vraag daar dan geld voor. Doe workshops, maak een gladde website, praat luid en duidelijk, doe een pak aan, schrijf een boek en probeer op tv te komen. Gebruik ondertussen veelzeggende woorden en oneliners als: kwantummechanica; Law of Attraction; niet geschoten altijd mis; de maatstaf voor verandering ben jijzelf; authenticiteit verkoopt; als ik het kan, kan jij het; haal je wel voldoende uit het leven?: ik was ooit een loser, totdat ik << voeg naam favoriete methode in>> ontdekte.”

Hoe meer je op deze manier verdient en/of hoe vaker je op tv of in de krant komt, des te meer wordt je gezien als het levende bewijs dat jouw methode werkt, hoe rijker je wordt… enzovoorts.

Rijk worden? Je kan het! Als je maar bedenkt: mensen die veel seminars volgen worden zelden rijk. Je moet ze geven.

Toch Kasper?

eKudos Nu Jij

Zoekt en gij zult niet vinden… geluk

‘Ik wil niet bij een club horen, die mij als lid zou accepteren.’ Dat is de uitspraak van de man die bekend werd als Charlie Chaplin. Grappig hoor. Totdat je je realiseert dat deze vreemde paradox jouw leven waarschijnlijk meer domineert dan je lief is.

Het is een bekend economisch principe dat we heftiger verlangen naar Dingen Die Schaars Lijken. Daar willen we harder in investeren. En dat geeft soms faalangst. Voorbeeld. Als liefde schaars voelt reageren we eerder verkrampt wanneer ze weer eens in de buurt is. Zien we al een aantrekkelijk potentiaaltje naar ons glimlachen? Blijkt die leuke, nieuwe collega ineens vrijgezel? Schrikken zeg. Onze toenaderingspogingen lekken behoeftigheid en maken de mogelijkheid dat er op het moment suprême iets moois ontstaat nog schaarser. We zijn gewoon te zenuwachtig, bang om het spel te verliezen. (Herken de vicieuze cirkel.)

Daarentegen. Als liefde overal voor het grijpen lijkt, investeren we niet snel in diepgaande relaties en zijn we al snel ondankbaar, ontevreden en verveeld. We waarderen het gewoon niet echt. We negeren lieve mensen die alsmaar voor ons klaarstaan (of gebruiken ze) en raken blasé als we makkelijk toegang tot seks of intimiteit hebben. Het kan vast beter, mooier, intenser enzovoorts. Mensen die veel (mogelijkheden) hebben, zijn daarom niet per se gelukkiger. Onderzoek laat zien we niet snel zullen of kunnen kiezen als we veel keuze hebben en eerder bevangen raken door twijfel en inactiviteit. (Herken het recept voor spijt.)

Veel moderne liefdeslevens bewegen zich tussen deze twee uitersten. Aan de ene kant de angst dat uitgerekend jij wordt overgeslagen terwijl mensen om je heen lol hebben. Aan de andere kant ondankbaarheid met de situatie nu omdat het altijd nog beter kan. Schaarstedenken leidt tot de vicieuze cirkel van kramp en angst, oneindig romantiseren leidt tot teleurstellingen en ondankbaarheid. Zowel de ene als de andere houding zijn een logisch product van de huidige cultus van onze maakbare samenleving.

Wij hebben in de 21ste eeuw meer mogelijkheden, rijkdom, vrijheid en tijd dan ooit tevoren. Meer dan Napoleon – de machtigste man in zijn tijd – ooit had. We hebben toegang tot de beste medische zorg ooit, we lopen standaard met geavanceerde belcomputers op zak waarmee we kunnen twitteren naar de Minister-President, we vieren vakanties op plekken die een eeuw geleden nog niet eens waren ontdekt en we hebben door middel van internet een oceaan aan vrijgezelle potentiele partners waar we uit kunnen vissen. Enzovoorts. Enzovoorts.

Realiseer jij je dat wel eens? Ook jij bent rijker en machtiger dan alle mensen die voor jou leefden. De meeste mensen die ooit hebben geleefd hadden geen toetje na het eten, kregen vaker kiespijn en ziektes waar ze aan dood gingen, moesten harder werken puur om een snee brood en een pan knollensoep op tafel te hebben, en hun liefdesleven werd bepaald door anderen, meestal hun ouders. Ook was er geen haarwax en kon je niet op het laatste moment bellen dat je later kwam. En toch, gek genoeg, voorspelt onderzoek dat jij geen cent gelukkiger bent dan zij. De kans is groot dat zij juist gelukkiger waren.

Dat heeft te maken met sociale vergelijking. Gelukkig zijn is erg relatief, afhankelijk van waarmee en met wie jij jezelf vergelijkt. Niet raar dat het in de huidige oceaan van ogenschijnlijke overvloed lastiger is dan ooit tevreden te zijn. Vooral door het internet kunnen we ons met iedereen op de hele wereld vergelijken. En dat kan maken dat we al snel schraler afsteken dan onze buren. Het succes van anderen is ook zichtbaarder dan ooit. Op Facebook posten mensen -uitzonderingen daargelaten – eerder hun positieve en bijzondere momenten. Succesvolle mensen zijn vaker op prominente plekken, in het nieuws, op de buis en in de krant.

Vooral de media en de commercie geeft ons graag de illusie dat alles mogelijk is. Er zijn kansen genoeg. Als jij maar snel, handig, charmant en doortastend genoeg bent, en/of specifieke producten koopt. Mogelijk falen komt daarmee direct op jouw conto. Het is jouw schuld als je er in deze meerkeuzemaatschappij niet in slaagt te bereiken wat je wilt. Dit maakt veel mensen ongelukkig.

Hoe meer mogelijkheden er zijn om gelukkig te worden, hoe groter de kans dat je niet bent. Als geluk een doel van je is, dan is het is belangrijk deze paradox te herkennen, en af en toe keihard te genieten. Zonder te willen dat het anders, beter, mooier is.

Tenzij natuurlijk …

eKudos Nu Jij

Het wiel uitvinden, elke dag opnieuw

Ongeveer 5.500 jaar geleden werd het wiel uitgevonden. Je zou dat (enigszins willekeurig) het begin van de moderne beschaving kunnen noemen. Zeker, de eerste steenbijl werd zo’n tweeënhalf miljoen jaar geleden al gemaakt, maar daarmee kon je vooral noten en schedels kraken. Dat kan de gemiddelde chimpansee ook. En ja, de domesticatie van dieren en planten was ook al langer gaande. Net als fikkie stoken, visjes bakken enzo. Leuk voor de gemiddelde survivalfreak, maar een heuse maatschappij bouw je daar nog niet mee. Het wiel bracht de menselijke beschaving echt in een versnelling. Transport over land, weefgetouw, pottenbakken, uurwerken, boekdrukkunst, windmolens, straalvliegtuigen. The sky was the limit, begrijp je wel?

Het wiel uitvinden was een mijlpaal voor de mens. Het valt gemakkelijk te begrijpen hoe het gooien van een steen evolueert tot het werpen van een speer. En het samenvoegen van een paar drijvende boomstammen tot het maken van een fraai vlot. Eén plus één is twee. Voor het wiel was meer nodig: een potje serieus out-of-the-box-denken. Het wiel komt namelijk niet als zodanig in de natuur voor. Het was een slimme mensaap die voor het eerst een draaischijf om zijn eigen as wist te wentelen. Een anonieme held die ons met zijn uitvinding veel nieuwe mogelijkheden en bewegingsvrijheid verschafte.

Je zou misschien verwachten dat de lastige stap naar het eerste wiel al snel gevolgd zou worden door de stap naar een fiets. Maar nee. Pas na duizenden jaren experimenteren (met verschillende toepassingen van het wiel), knutselde de Fransman Pierre Michaux in 1868 de velocipede in elkaar. De fiets zoals wij die kennen, een tweewieler met kettingaandrijving en pedalen, bestaat pas anderhalve eeuw. Ter vergelijk: de stoomtrein en de camera bestonden toen al meer dan een halve eeuw.

Het is niet zo verbazingwekkend dat de stap van wiel naar fiets zo lang duurde. Een fiets heeft weinig (evolutionaire) noodzaak. Aan een hooikar of ploeg hebben we meer. De fiets is een hobby-projectje, geen nuttig instrument dat de overleving van onze soort garandeert. En een hobby hebben – zoals fietsen – is een luxeding. Iets van verwaande, moderne mensen zoals jij en ik.

Maar vergis je niet. Het is tegenwoordig heel nuttig je hobby serieus te nemen. Misschien niet zo serieus dat je je lichaam volspuit met Armstrongetjes enzo, maar wel zo serieus dat je er voldoende plezier, mentale rust en gezondheid voor terug krijgt. In de opgefokte mensenjungle van nu is een fijne hobby bijzonder nuttig om de waan van de dag aan te kunnen. Of eraan te kunnen ontsnappen. Heb je een klotebaas? Vervelende partner? Stress van de deadline? Teveel gegeten? Internetverslaafd? Depressief door de AEX? Last van piekeren? Eenzijdig verliefd op de buurvrouw? Actualiteitenmoe?

Twee wielen verbonden door een frame, een ketting en twee pedalen. En keihard trappen maar. Elke dag weer, op een van de leukste uitvindingen ooit.

Deze column verscheen in Wielrenblad.

eKudos Nu Jij

Gewetensvraag: mag je stiekem de telefoon en mail van je partner checken?

Uit recent Amerikaans onderzoek is gebleken dat maar liefst 37% van de vrouwen het oké vindt om, bij twijfels over de loyaliteit van hun partner, de mail en telefoon van hun vent te checken. Een journaliste van een vrouwenblad vroeg zich af wat ik ervan vond. ‘En, wat vind je ervan?’

Hmmm, lastig. Als je je partner niet vertrouwt is het inderdaad het gemakkelijkst een confrontatie of gesprek hierover te vermijden en stiekem te checken wat deze allemaal in zijn/haar ‘vrije’ tijd doet. Misschien is het op korte termijn ook wel de meest effectieve manier om je partner te testen, maar of het de beste is?

Het probleem: zelfs als je nu niks verdachts ziet, ben je waarschijnlijk maar tijdelijk gerustgesteld. Een paar dagen, weken of maanden later doe je al snel weer hetzelfde. Doet de partner wat afstandelijk? Werkt hij of zij wat vaker over? Iets teveel likes op de Facebook-pagina van een collega? De drempel wordt lager om stiekem even te checken. Dit soort dingen kunnen zelfs een beetje verslavend zijn, en op een gegeven moment zijn de rollen misschien wel omgedraaid: misschien is hij wel te vertrouwen, maar jij blijkbaar niet.

De kans bestaat bovendien dat de argwanende partner altijd wel iets vindt wat niet bevalt. Een iets te slijmerig mailtje naar een collega, een dubieuze koffieafspraak met een voor jou onbekende, een spam-mailtje van een datingsite. Wie hard zoekt, kan altijd iets vinden. Vooral als je wat obsessief of jaloers van aard bent kun je hierin makkelijk doordraven. En in plaats van de relatie juist te verbeteren, door eerlijk te zijn en te communiceren, zie je de partner steeds meer als onderzoeksobject. Dat vergroot de intimiteit en het vertrouwen uiteraard niet.

In een relatie testen en evalueren we onze partners sowieso. Daar ontkomen we niet aan. Verzorgt mijn partner mij als ik ziek ben? Doet hij of zij extra moeite voor me als ik ongesteld en chagrijnig ben? Luistert mijn partner als ik echt ergens mee zit? Onze dagelijkse leven zit vol met dat soort kleine evaluatiemomentjes. Als deze vaak negatief uitvallen en de kloof met onze partner groter wordt, zit er blijkbaar iets niet goed in de relatie. Het kan aan jou liggen. Partners reageren (bewust en onbewust) nou eenmaal niet zo goed op wantrouwen, controledwang of stiekeme verwijten van partners. Het kan ook aan je partner liggen. Een partner die zich vreemd, anders, verdacht of stiekem gedraagt en jou niet kan gerust stellen als jij erover begint kan verwachten dat jij dan maar als een detective bewijzen zal verzamelen. Binnendringen in de privésfeer van je partner zie ik als signaal om de relatie ofwel te beindigen of een drastische nieuwe start te geven.

In de meeste gevallen ervaren partners het liegen van hun partner als een groter probleem dan hun vreemdgaan. Probeer daarom je partner altijd eerst een kans te geven om zelf over de brug te komen. Daarmee vergroot je de kans dat het alsnog goed komt tussen jullie.

eKudos Nu Jij

Hoe gevaarlijk is porno kijken?

Porno is een gevoelig onderwerp. Veel mensen kijken er naar, bijna evenveel mensen zwijgen erover. Veel mensen weten niet eens dat hun partner zich er weleens aan verlustigt. Die doet het stiekem. Bang te worden weggezet als een slechte partner, onvolwassen masturbatiejunkie of potentiële seksdelinquent?

De weerstand tegen porno (en tegen seksualisering van de maatschappij in het algemeen) is begrijpelijk. De grootste angst is dat het een cultuur creëert die vrouwen als objecten ziet en daardoor gezonde menselijke relaties schaadt. Veel mensen vrezen dat porno kijken (al dan niet rechtstreeks) agressie tegen vrouwen en seksueel misbruik stimuleert. Als dat zo is dan is het pornoverbod waar EU-politici over praten een goede zaak.

Hoewel nog veel onduidelijk is over de lange termijn-effecten van porno kijken en exacte cijfers over taboe-onderwerpen soms dubieus zijn (zijn mensen er wel eerlijk over?) werpt the Porn Report licht op de zaak. Enkele statistieken uit dit overzicht van porno-onderzoek: zes op tien mannen met een partner is minimaal eens per maand met porno bezig tegenover twee op tien vrouwen. Bijna één op de drie stellen kijkt weleens samen. Mannen (81 %) hebben er minder moeite mee als hun partner porno kijkt dan vrouwen (63 %). (Nog wat cijfertjes van Psychologie Magazine hier.)

Los van misstanden in de industrie zelf* heeft de anti-porno-beweging hoofdzakelijk twee bezwaren tegen porno kijken. 1. Porno is verslavend en daardoor schadelijk voor de kijker. 2. Porno leidt tot objectificatie van mensen en verlaagt daardoor de drempel om anderen een potje seksueel te molesteren.

Leidt porno kijken tot een verslaving?
Allereerst, alles wat het brein fijn vindt, zoals ijsjes, seks, complimenten, aandacht en sport kan leiden tot een drang. Je brein onthoudt die fijne momenten en wil het nog eens meemaken, en nog eens. Morgen wil je weer een ijsje enzovoorts. Je kunt het woord verslaving al snel in de mond nemen, maar een echte verslaving is niet niks. Er zijn veel mensen verslaafd aan drugs, gokken of alcohol, maar slechts weinig mensen functioneren slecht omdat ze de hele dag door worden lastig gevallen door een drang porno te kijken of seks te hebben. Een belangrijk criterium om iets ‘verslaving’ te noemen is als het je dagelijks leven dusdanig belemmert dat je erdoor in de problemen komt. Wat betreft porno kijken: er zijn geen fysieke afkickverschijnselen, je hoeft je niet in de schulden te werken, je hoeft geen halsbrekende of tijdrovende toeren uit te halen om aan je dagelijkse dosis te komen.

Wat zeggen de verslavingexperts? Seks- en pornoverslaving staat ter discussie als echte verslaving. Het is in elk geval niet opgenomen in de DSM IV (Officiële psychische stoornissenbijbel), maar wordt door afkickklinieken voor het gemak wel als zodanig erkend.

De meeste kijkers doen het af en toe, in afwisselende intensiteit. Vaker in perioden waarin ze single zijn en seks niet voorhanden is. En er is weinig reden aan te nemen dat ze een groot risico lopen om verslaafd te raken. Volgens the Porn Report vertoont minder dan een half procent van pornokijkers verslavingsgedrag. De verslaving wordt volgens de onderzoekers niet zozeer door het erotisch videomateriaal veroorzaakt als wel door andere factoren in iemands persoonlijkheid. Pornoverslaving komt een stuk minder voor dan moraalridders soms suggereren.

Maakt porno kijken de maatschappij mensonterender? Neemt geweld tegen vrouwen daardoor toe?
Je zou om verschillende redenen** kunnen denken dat porno kijken verruwt. Mensen die veel porno kijken klagen bijvoorbeeld over gewenning en hebben steeds nieuwe en hardere prikkels nodig om opgewonden te worden. Videos van onpersoonlijke seks, sm en verkrachtingen zijn niet voor niks bij veel pornokijkers in trek. De hamvraag is: vertaalt dit virtuele dubbelleven zich (al dan niet subtiel) naar de werkelijkheid van alledag? Trek je eerder iemand onvrijwillig het kopieerhok in wanneer je veel naar porno kijkt? Ook dit lijkt niet zo te zijn. Er zijn eerder aanwijzingen dat het andersom is. De meest plausibele verklaring is dat de pornokijkers over het algemeen wat progressiever, geëmancipeerder en liberaler zijn dan niet-kijkers. Ze hebben mogelijk een vrijere kijk op seks en liefde. Dat maakt ze niet amoreel, obsessief of gevaarlijk.

Ook is er geen bewijs dat geweld tegen vrouwen en verkrachtingen toeneemt sinds porno voor iedereen via internet vrij verkrijgbaar is. Zoals dit artikel op Psychology Today laat zien zijn de cijfers juist afgenomen. De auteur oppert (enigszins laconiek en onwetenschappelijk) dat internetporno mogelijk eerder leidt tot masturbatie dan seksueel misbruik. Mannen die porno kijken doen dat meestal om te masturberen en niet om zichzelf op te fokken een slachtoffer te zoeken. Er is weinig zo sloom en lusteloos als een man die net is klaargekomen. Direct na een ejaculatie daalt de hoeveelheid testosteron (hormoon dat een rol bij agressief gedrag) in het mannenlichaam en neemt het knuffelhormoon oxitocine toe.

De onderzoekers denken niet dat porno mensen verhardt of leert om anderen te objectificeren: “Mensen kijken op voorhand al met bepaalde normen en waarden naar porno. Mannen die vrouwen als objecten zien die ze voor hun eigen plezier kunnen gebruiken voelen zich bekrachtigd als ze porno zien. Andere mannen zien veel liever beelden waarin vrouwen juist een leidende rol spelen.” Deze bevindingen kloppen met onderzoeken die laten zien dat empathie en inlevingsvermogen voor een groot gedeelte genetisch bepaald zijn. De meeste mensen zijn behept met voldoende actieve spiegelneuronen en kunnen persoonlijke seksfantasieën prima van de realiteit scheiden. Ze hebben een ingeboren rem om anderen niet zomaar te molesteren of pijn te doen. De mensen die die deze morele rem niet hebben zijn sowieso een gevaar, of ze nu naar porno kijken of niet. Datzelfde geldt voor het spelen van nare computerspelletjes. Er is geen enkel bewijs dat mensen daardoor meer de neiging krijgen hun medemensen in het echt neer te maaien.)

Wanneer is porno wel een probleem?
Als je alleen nog maar opgewonden kunt worden van pornoseks en daardoor je partner niet aanraakt, of als je partner seksueel niet (meer) aantrekkelijk vindt en daardoor je toevlucht neemt tot porno kijken. Hoewel een liefdesrelatie uit veel facetten bestaat is het seksuele aspect datgene wat een partnerrelatie onderscheidt van een vriendschap. Meestal. Jezelf dagelijks suf masturberen achter een beeldscherm is over het algemeen niet de allerbeste strategie voor een florissant liefdes- of seksleven. Een (tijdelijk) pornodieet kan seks met een echte partner intenser maken. Hopelijk leer je hoe de seks met je partner beter, leuker, fijner, geiler wordt. Het kan zijn dat je dan wel over bepaalde dingen moet leren praten. Veel stelletjes vermijden uit gewoonte of ongemak eerlijke sekspraat en weten soms van elkaar niet wat ze fijn vinden. Porno kijken kan een makkelijke uitvlucht zijn als je systematisch een lastig gesprek over seks uit de weg wilt gaan.

Riskanter dan porno kijken zelf is het schuldgevoel en de zelfhaat die het bij sommige mensen oproept. Je kunt je zeker vraagtekens zetten bij porno, maar het veroordelen van lust en seksuele fantasieën maakt mensen over het algemeen niet geestelijk gezonder of liefhebbender. De mensen die het meest door seksuele obsessies in de wurgreep worden gehouden zijn de mensen die deze het sterkst veroordelen. Je kunt al raden dat de kerk hier vaak van oudsher een grote rol in speelt. De meeste slachtoffers van seksueel misbruik en vrouwenhaters worden nog steeds door religie gemaakt.

Update 22-04-2016: Ik las eergisteren een verontrustend artikel van twee Amerikaanse psychologen over wat porno met het mannenbrein doet, vooral dat van opgroeiende pubers. Dat is niet mals.

* Hopelijk onnodig te melden, maar ik ontken geenszins de uitbuiting van vrouwen, homo’s en kinderen die blijkbaar op grote schaal plaatsvindt. Dat moet keihard aangepakt worden. Niemand zou slachtoffer moeten zijn van de seksindustrie.)

eKudos Nu Jij