Category: Geluk & gezondheid

Wie ben ik eigenlijk?

Ongemakkelijke inzichten uit de neurowetenschap: bestaan jij en ik als illusie?
Sommige feiten zijn lastig te rijmen met hoe wij onszelf ervaren. Inzichten uit neurowetenschappelijke hoek laten ondubbelzinnig zien dat wij niet zijn wie we denken dat we zijn. Behalve dat de hersenen de werkelijkheid om ons heen simuleren, creëren ze ook de illusie dat er een ik-figuur in de hersenen verborgen zit. We ervaren onszelf als de denker van onze gedachten, de voeler van onze gevoelens, de doener van onze acties, de beslisser van onze beslissingen. In werkelijkheid wordt er gedacht, gevoeld, gedaan en besloten zonder dat er een centrale ‘ik’ is die dat doet. De grootste truc van je brein is om zichzelf van jouw eigen bestaan te overtuigen.

Als dit de allereerste keer is dat je het hoort dan is dat vast even wennen. Niet alleen de vrije wil is een illusie, jijzelf als losstaande entiteit onafhankelijk van je gedachten en gewaarwordingen ook. Toch is dit inzicht niet bepaald nieuw. Talloze denkers en mystici door de eeuwen heen deelden dit inzicht met ons. De Schotse filosoof David Hume zei bijvoorbeeld: ‘Er is geen zelf, slechts een hoop sensaties, percepties en gedachten, de ene na de andere.’ Gautama Siddharta, de boeddha, was daar millennia eerder ook al achtergekomen. Het ego, meende hij, is een verzonnen entiteit, waaromheen al ons psychologische lijden is gesponnen. Moderne hersenwetenschappers geven deze originele vrijdenkers groot gelijk.

Ergens in de stroom van jouw bewustzijn verscheen, een paar jaar na je geboorte, de illusie dat jij ‘jij’ bent en niet mij of een ander. Als baby had je wél bewustzijn, maar je had nog geen zelfbewustzijn. Zelfs geen lichaamsbewustzijn. Dat moest je jezelf nog aanleren. Jouw (voorgeprogrammeerde) hersens maakten zich door opvoeding en jarenlange training in sociale situaties het gevoel eigen van een ik-figuur in een lichaam die losstaat van zijn omgeving. Pas tussen 18 tot 24 maanden herkennen de meeste kinderen zichzelf (in een spiegel) als een losstaand individu.

Het zelf is een indrukwekkende illusie, bijzonder lastig te doorzien, maar zoals met andere illusies en goocheltrucs geldt: als je eenmaal weet hoe het gedaan wordt is het niet meer zo vreemd. In de woorden van Bruce Hood – neurowetenschapper en auteur van het boek The Self Illusion: How the Social Brain Creates Identity:

“De dagelijkse ervaring van ons ‘zelf’ voelt intiem en vertrouwd, en toch, de wetenschap laat zien dat het zelf een illusie is. Een illusie betekent voor mij een subjectieve ervaring die niet is wat het lijkt. Illusies zijn ervaringen van de geest, maar ze bestaan niet als zodanig in de natuur. Het zijn gebeurtenissen die door het brein zijn gecreëerd. De meesten van ons hebben ervaring van een zelf, als een autonoom individu met een coherente identiteit en een gevoel van vrije wil. Maar die ervaring is een illusie. Het bestaat niet los van die persoon die die ervaring heeft, en het is zeker niet wat het lijkt. Dat betekent verder niet dat die illusie zinloos is.”

Je zou kunnen tegensputteren: ‘Wat kletst die man nou. Ik kan bewijzen dat ik er ben. Kijk maar, ik beweeg nu mijn hand. Wie anders dan ‘ik’ beweegt die hand?’ Als je willekeurige mensen vraagt waar hun ‘zelf’ zich bevindt, zullen ze naar zichzelf wijzen. Ze zullen er misschien bij vermelden: ‘Ik ben dit lichaam.’ Dat is op zijn minst een halve, en dus onvolledige, waarheid. Je kunt al je ledematen laten amputeren en nog steeds het gevoel hebben dat jij helemaal jij bent. Sterker nog: als het medisch mogelijk zou zijn, zou jij kunnen bestaan als hoofd, of als brein. Wetenschappers kunnen jou nu al met behulp van eenvoudige visuele trucs het gevoel geven dat je uit je lichaam zweeft of in een ander (virtueel) lichaam zit dan de jouwe. Zie deze interessante BBC-docu vanaf 29:00. Het gevoel van zelf begint en eindigt dus niet bij de contouren van je lichaam. De meeste mensen hebben, als je ze genoeg uitvraagt, het gevoel dat ze de eigenaar van hun lichaam zijn en dat hun ‘ware ik’ zich in het gebied net achter de oogballen zetelt. Daar in de hersenen lijkt ons waarnemende centrum gevestigd. Nogmaals, lijkt, niet is.

De illusie van het zelf is volgens Bruce Hood vergelijkbaar met een simpele visuele illusie als het Kanizsa-patroon:

Je ziet in het midden een duidelijke vorm ontstaan die volledig bepaald wordt door de omgeving. Je snapt verstandelijk best dat dit een hersentruc is, maar wat je misschien niet weet is dat jouw brein doet alsof de vorm er echt is. De neuronen worden geactiveerd zoals bij het zien van een echte driehoek. Met andere woorden: het brein hallucineert de driehoek. In zekere zin geldt deze perceptuele krachttoer voor alles wat we zien: we zien de beelden die ons brein genereert en niet de werkelijkheid zelf. Sommige objecten bestaan echter wel degelijk in die werkelijkheid en andere niet. Die laatste categorie noemen we officieel illusies.

Zoals het Kanisza-patroon wordt gemaakt door de omgeving, zo bestaat het zelf als de reflectie van de mensen er omheen. Door de reacties van anderen op onze aanwezigheid leren wij ‘onszelf’ te ervaren. Onze identiteit ontstaat in de levende interactie met anderen, door onszelf de taal en gedachten van onze opvoeders eigen te maken. De stemmen van anderen, worden op een gegeven moment de innerlijke stemmen van jezelf. En die innerlijke stem houdt voor de rest van je leven jouw gevoel van zelf in stand, ook als je moederziel alleen op de steppe woont. Je hebt die stem nodig om te ervaren dat ‘jij’ er bent.

Als jij het niet via andere mensen geleerd zou hebben, had je nu niet de ervaring van een zelf met een verleden, een toekomst, een naam, een leeftijd, enzovoorts. Je zou nog steeds reageren op de prikkels van de wereld en de noden van je lichaam, maar niet als de identiteit waar je jezelf nu voor aanziet. Moeilijk voor te stellen, maar toch is het zo. Vraag het maar eens aan een wolfskind (een kind dat zonder menselijk contact is opgegroeid en daardoor nauwelijks of geen kennis hebben van menselijk gedrag en taal). Zelfs als je in de bijzondere gelegenheid zou zijn er een te ontmoeten (en hun ‘taal’ te spreken) dan zouden al je pogingen om een normale menselijke connectie te maken op onbegrip stuiten. Net als de meeste dieren zijn wolfskinderen bewust van de omgeving en hun lichaam, maar zij ervaren zichzelf niet als een sociale identiteit met een persoonlijke geschiedenis.

Hoe precies wordt de zelfillusie gemaakt?
Ons brein heeft als belangrijkste (evolutionaire) taak om de wereld te begrijpen. Het maakt modellen van de buitenwereld zodat we kunnen interpreteren en voorspellen wat we daarin moeten doen. Ons brein simuleert de wereld zodat we erin kunnen overleven. Die simulatie is uitzonderlijk knap gedaan omdat veel van de binnenkomende data verstoord en gebrekkig is. Ons brein moet afgaan op een hele kleine sample van alle concurrerende informatie die het ontvangt en vult de missende informatie razendsnel in. Dat komt neer op het continu nemen van gokjes en het verbinden van losse beetjes informatie tot een coherent verhaal. Dit gebeurt over het algemeen zonder dat wij er bewust van zijn.

Het McGurk-effect is een heel inzichtelijk voorbeeld van hoe dit zoal gebeurt (zie eerst filmpje hieronder). Dit effect ontstaat doordat je brein visuele informatie combineert met auditieve informatie. Je hoort ten dele wat je ziet, en je ziet wat je hoort. Dit geldt voor alle losse zintuiglijke prikkels die jou op elk moment bombarderen. Die worden direct en automatisch door je brein tot een voor jou coherent beeld samengevoegd. Op die manier ervaar jij de werkelijkheid continu als een logische, begrijpelijke eenheid.

Nog een voorbeeld van zo’n illusie? Als wij de wereld inkijken, lijken wij een stabiel, onafgebroken visueel beeld te zien. Alsof we naar een 3d-film kijken. In werkelijkheid worden blinde vlekken, wilde oogbewegingen (saccades) en andere onregelmatigheden systematisch weggefilterd. Slechts de gefocuste (voor- en na)beelden worden met elkaar vergeleken om uiteindelijk tot een stabiel visueel beeld te komen. Tijdens die saccades zijn we dus tijdelijk blind. Dat komt er in de praktijk op neer dat we tijdens ons wakende leven gemiddeld twee uur per dag blind zijn zonder dat we het merken. Ongelooflijk, maar waar.

In zijn poging om ons het zelf beter te laten begrijpen, beschrijft Hood de hersenen als een complexe fabriek met verschillende, concurrerende afdelingen die allemaal om controle over het lichaam vragen. Het ene gedeelte houdt de energiehuishouding in de gaten: eten slapen, drinken. Een ander gedeelte scant de omgeving op eventuele gevaren en misstanden. Een ander deel is gefocust op goede relaties. Een ander deel op seks en voortplanting. Enzovoorts. We kunnen ons slechts van een heel klein gedeelte bewust zijn van alles wat er in het brein omgaat. Ons onderbewustzijn bepaalt heel autoritair welke prikkels voorrang krijgen en aandacht verdienen van het bewustzijn.

Hood beschrijft dat als volgt: “Ons zelfbewustzijn is als de senior manager die de totale productie overziet, bijhoudt en daarover rapportjes de wereld instuurt. We weten niet wat er allemaal in ons onderbewuste omgaat, maar we kunnen wel de resultaten monitoren alsof dat zo is. Dat is een nuttige illusie. Ons brein interpreteert de resultaten van ons gedrag, gevoelens of gedachten (milliseconden na de daad) in termen van ‘en nu doe ik dit of besluit ik dat’ als een handige manier om onze acties en beslissingen bij te houden. Dat geeft ons het gevoel dat we de auteur zijn van onze gedachten. Dat bindt ons als de initiatiefnemer van al onze beslissingen en acties, zelfs als dat niet zo is. Op die manier onthouden we beter wat we wel en niet hebben gedaan. We herinneren onszelf de acties van ons eigen lichaam beter dan die van anderen.”

Waarom hebben we eigenlijk een zelf?
De ‘illusie’ van een stabiele, coherente kijk op de buitenwereld valt goed te begrijpen. Anders zouden we gedesoriënteerd raken. Maar waarom hebben we die hardnekkige illusie van een zelf met vrije wil, een verleden en een toekomst nodig? De meeste dieren doen het blijkbaar ook prima zonder zo’n zelf. Het zelf is een sociaal instrument, dat ons tegelijkertijd zowel van elkaar onderscheidt als ons aan elkaar bindt. Door een zelf te hebben kunnen wij, in tegenstelling tot de meeste dieren, het sociale verkeer op de lange termijn regelen en niet te verdwalen in ons complexe, sociale leven.

Door allemaal een identiteit met verleden en toekomst hebben, wordt het een stuk eenvoudiger het sociale verkeer (en daarmee onze maatschappij als geheel) te organiseren en te controleren. We houden elkaar en onszelf op die manier in het gareel. We voelen schuld of spijt als we iets doen wat de groep schaadt en zullen het daarom een volgende keer eerder laten. Door elkaar en onszelf een sociale identiteit te geven wordt het veel lastiger om als individu de groep te benadelen. Je kunt jaren na je ‘misdaad’ aangesproken worden op je schadelijke gedrag. Wie niet leuk meedoet, wordt door de groep gebrandmerkt en gestigmatiseerd. Allerlei onzichtbare, maar voor ons zo essentiële ‘zaken’ als reputatie, eer, trots en ons huidige rechtssysteem komen onvermijdelijk voort uit deze zelfillusie.

In zekere zin zijn het de mensen om ons heen die onze verschillende rollen (of zelven) aan- en uitzetten. Daarom kunnen we ons ook zo geheel anders voelen bij verschillende mensen. We zijn iemand anders bij onze geliefde, dan wanneer we op het werk zijn. De onophoudelijke wisselwerking met onze omgeving creëert ons gevoel van ik. En daarmee komen we bij een van de allermooiste inzichten die je maar kunt hebben: wij zijn niet een afgescheiden ik, maar we bestaan bij de gratie van onze relaties, met meerdere zelven. Hoe eenzaam we ons ook voelen, in realiteit is het door onze verbondenheid dat we ons überhaupt eenzaam kunnen voelen.

P.s. Mensen die aan serieuze introspectie doen (zoals bij zen-meditatie of advaita vedanta) trainen zichzelf om deze cognitieve illusie te leren doorzien. Het doorzien van het ‘zelf’ leidt tot een nieuwe, ruimere kijk op jezelf als onlosmakelijk verbonden met het geheel. Iets wat mensen door de eeuwen ervaren lijken te hebben als een grote bevrijding.

P.p.s. Praten en denken over dit thema is noodgedwongen verwarrend omdat de taal niet gemaakt is om bepaalde illusies te doorzien. Taal creëert ze juist. Onze taal maakt gebruik van persoonlijke voornaamwoorden om onderscheid te maken tussen jou, mij en ieder ander. Het bestaan van bepaalde woorden betekent niet dat hetgeen ze naar verwijzen daadwerkelijk bestaat. Denk ook aan: Jahweh, mikfrishls, Donald Duck, enzovoorts.

P.p.p.s. En hoe zit dat met al die overtuigende verhalen over zielen en geesten die uit lichamen treden? Die lijken eigenlijk vooral door hun afwezigheid te bestaan. Het bewustzijn, en hoe het precies tot stand is vooralsnog één van de grootste mysteries, maar we weten wel dat elk aspect van ons ‘gevoel van zelf’ door hersenschade, ziekte of manipulatie drastisch en volledig veranderd kan worden. Dat maakt het waarschijnlijker dat het individuele zelf vooral bestaat als output van ons brein.

Meer lezen over dit paradoxale en fascinerende onderwerp? Een kleine greep:
Artikel: de vrije wil is een illusie
The Self Illusion – Why There is No You Inside Your Head
I Am That – Talks With Sri Nisargadatta Maharaj
Reflections On The Self- Jiddu Krishnamurti
Self Comes To Mind: Constructing The Conscious Brain – Antonio Damasio

eKudos Nu Jij

Psychologisch woordenboek: schrijversblok

Schrijven is een creatief proces waarvoor een zekere mate van concentratie, flow en mentale rust nodig is. En daar heb je maar weinig bewuste controle over. Eén vervelend telefoontje en de magie is alweer gebroken.

Als een schrijver langere tijd geen inspiratie heeft om te schrijven noemen we dat een writer’s block (of schrijversblok als je het Nederlands wilt houden). Deze ‘diagnose’ klinkt misschien specifiek, maar de oorzaken die aan dit zwarte inspiratiegat ten grondslag kunnen liggen maken het een vaag probleem. Die oorzaken kunnen van alles zijn. Lichamelijke ziekte, faalangst, verbroken relatie, geldzorgen, verliefdheid, deadlinestress, een hersenschudding. Waarschijnlijk is het een combinatie van verschillende factoren die het delicate schrijversbrein onder druk zetten.

Hoe ontstaat writer’s block in de hersenen?
Schrijversblok lijkt vooral een gevecht te zijn tussen het bewuste en het onbewuste brein. De hersenen kun je zien als een fabriek waarbij verschillende, met elkaar oncurrerende afdelingen om controle vragen. Het ene gedeelte houdt de energiehuishouding in de gaten. Een ander gedeelte scant de omgeving op eventuele gevaren en misstanden. Enzovoorts. We kunnen ons op elk moment slechts van een klein deel bewust zijn van wat er allemaal in ons eigen brein omgaat. Ons onderbewustzijn bepaalt heel autoritair welke prikkels voorrang krijgen en aandacht verdienen van het bewustzijn. Oude hersengebieden zijn hierbij veel dominanter dan de nieuwe. Vooral stress en angst maken dat evolutionair oude primitieve hersengebieden (vooral de hersenstam) gaan heersen ten koste van meer beschaafde delen zoals de hersenschors, waar taal en mooie gedachten geproduceerd worden.

Sceptici die writer’s block een watjesprobleem van intellectuelen vinden onderschatten het probleem. Bij de meeste beroepen kun je, wanneer je psychisch onder druk staat, prima terugvallen op ingesleten routines en automatismen. Hierom hebben buschauffeurs geen driver’s block en chef koks geen cooking block. De schrijver is helaas afhankelijk van een creatieve bui waarbij zowel het bewuste als het onderbewuste brein enigszins met elkaar in harmonie zijn.

Hieronder een paar algemene tips om de schrijversblok op te heffen:

Eerst administratie doen en afwassen, dan schrijven
Therapeuten weten maar al te goed dat piekeren en tobben zelden leidt tot oplossingen. Het leidt integendeel tot meer piekeren en tobben. Nadenken over je probleem houdt het probleem vaak juist in stand. Vooral perfectionistische schrijvers kunnen zo gepreoccupeerd zijn met hun werk (of naderende deadline) dat ze soms de rest van hun leven negeren ten koste van het schrijven. Ze proberen zich soms uit alle macht op het schrijven te concentreren, terwijl hun onbewuste met andere dingen bezig is. Dat kan net zoiets zijn als klaarwakker in bed gaan liggen omdat je vindt dat je moet slapen. Dat werkt niet. Juist het onbewuste zorgt voor creatieve invalshoeken en flow. De schrijver kan maar beter gehoor geven aan het onderbewuste en even iets heel anders doen.

Omdat schrijven een uniek en individueel proces is, zijn een schrijversblok en de mogelijke oplossingen daarvoor dat ook. Er is geen vast recept om jouw onbewuste brein tot schrijven te zetten. Je kunt best wat anti-writer’s block-recepten uit het schrijvershandboek proberen, maar houd je daar niet aan vast. Wat voor jou werkt, hoeft niet voor een ander te werken. De ene persoon heeft baat bij een retraite in de natuur, de ander met korte stadstrip en meditatietraining, en weer een ander met het uit handen geven van zijn rommelige administratie die hem hoofdbrekens geeft. Oplossingen zijn synoniem met specifieke activiteiten die iemand helpen ontspannen, afleiding geven van mentale ruis en nieuwe inspiratie of perspectieven bieden.

In het geval van schrijversblok kan het helpen iets te doen dat eventuele achterliggende remmingen en zorgen kan opheffen. De administratie doen of de werkomgeving opruimen – veelal een struikelblok voor creatieve, zelfstandige schrijvers – geeft vaak direct verlichting van mentale achtergrondruis. Bij lichamelijke onrust kan het juist helpen eerst te sporten of te bewegen voordat je in rust (en goed doorbloed) achter je computer kunt zitten.

Maak korte metten met uitstelgedrag en begin gewoon
Het grote geheim om iets gedaan te krijgen is om het tot een automatisme te maken. Mensen zijn vaak lang bezig met nadenken over de verschillende mogelijkheden en het nemen van beslissingen. Noem het piekeren. Dat is uitputtend. Goede routines en rituelen stellen je in staat je energie te bewaren voor de taak zelf, in plaats van voor de beslissing. Terwijl jij piekert over hoe, wanneer, hoezo, waarom je iets moet doen had je in sommige gevallen al klaar kunnen zijn. Psychologen hebben daar een (wetenschappelijk effectief bewezen) truc voor. Begin gewoon toch aan een taak, en doe tenminste een minuut lang alsof je het de meeste interessante bezigheid van het universum vindt. Grote kans dat dat niet lukt, maar wel dat je (een deel van) de taak afkrijgt. In het geval van de schrijver kan dat betekenen dat hij gewoon begint op te schrijven wat er in hem opkomt zonder zichzelf te censureren en te wachten tot die briljante openingszin komt. De censuur, het schrappen en de briljante oneliners komen later wel weer.

Zorg dat je goed slaapt
Een goede nachtrust is nuttig voor bijna alles. het is het beste recept tegen een vermoeid brein dat met zichzelf in de knoop ligt. Ben je een slechte slaper? Probeer dat niet als een te groot probleem te zien (want daar ga je slecht door slapen), maar neem gewoonten rondom het slapen wel serieus.

Lach en wees gelukkig
In tegenstelling tot wat mensen vaak denken is ongelukkig zijn meestal niet een directe bron van inspiratie voor schrijvers. Wel indirect. Vaak is de meegemaakte ellende achteraf pas inspirerend, als het weer bergopwaarts gaat en er weer energie is om te schrijven. In een sombere of angstige stemming werken de hersenen minder goed. Stemming en een goed humeur blijken een succesrecept voor bijna alles: mensen vinden je aantrekkelijker, het verhoogt de productie en trekt succes aan. Optimistische verkopers verkopen 56 procent meer dan hun pessimistische collega’s, goedgeluimde artsen stellen betere diagnoses, blije studenten maken tentamens beter. Hoe kom je aan een goede stemming als je van nature een cynische zuurpruim bent. Niet te moeilijk denken, gewoon een potlood tussen je tanden doen en genieten van de kleine dingen.

Oplossen van achterliggende psychische problemen
In sommige gevallen liggen er serieuze psychische problemen ten grondslag aan de writer’s block. Een serieuze depressie, of burnout. Het niet goed zijn aangepast aan een nieuwe levensfase (scheiding, ziekte, dood van een dierbare). In dat geval kan het nuttig zijn eerst daaraan te werken en het schrijven tijdelijk op een tweede plan te zetten. Als de levensvreugde terugkeert, komt de inspiratie om te schrijven er vaak achteraan.

eKudos Nu Jij

Frisdrank vergroot kans op depressie, agressie en concentratieproblemen

Driewerf neen tegen frisdrank! Onderzoek naar de consumptie van suikerdrank frisdrank hangt samen met meer agressief gedrag, depressies en zelfmoordgedachten bij adolescenten. Dat was al eerder onderzocht.

Als volwassenen er last van ondervinden hoef je geen genie te zijn om te kunnen voorspellen dat het voor groeiende kinderen nog schadelijker is. Dat is precies wat deze nieuwe studie laat zien. De onderzoekers toonden aan dat frisdrankconsumptie tot meer agressie, concentratieproblemen en afkickverschijnselen leidt bij vijfjarigen. Kinderen die vier of meer drankjes per dag nemen, hebben ruim twee keer zo vaak de neiging om dingen van anderen kapot te maken, in vechtpartijen te belanden en mensen aan te vallen. Ook concentratieproblemen en vermijdingsgedrag komen vaker voor aldus het onderzoek in The Journal of Pediatrics.

Nog een reden nodig om die enorme frisdranksectie in de supermarkt straal voorbij te lopen? Mensen die dagelijks frisdrankjes wegklokken hebben verhoogde kans op vasculaire problemen, zoals een beroerte of hartaanval.

Je kunt blijkbaar beter koffie drinken. Liefst zonder suiker natuurlijk.

eKudos Nu Jij

De stille kracht van meditatie

Mediteren wordt nogal eens gezien als een geitenwollensokken-activiteit voor overspannen moeders en mensen die anderszins met de ziel onder hun arm lopen (en denken dat Oosterse spiritualiteit daar een oplossing voor heeft). Wie anders verdoet vrijwillig tijd met stilzitten, terwijl je ook luiers kunt verschonen of autovelgen kunt poetsen?

Mensen die zoeken naar de Diepere Lagen des Levens (en/of verlichting van hun mentale ruis) staan vaak open voor ‘zweverige’ onderwerpen. Er bestaan nogal wat controversiële randgebieden die verklaringen en hoop bieden waar de wetenschap dat vooralsnog nalaat. Je zou meditatie zweverig, spiritueel of zelfs religieus kunnen noemen, maar laat ons vandaag niet twisten over woorden. We kunnen het onderwerp meditatie ook wetenschappelijk belichten, ontkoppeld van haar boeddhistische achtergrond en termen als ‘reïncarnatie’, ‘verlichting’ en ‘hogere Zelf’. We hebben die niet nodig om het nut ervan te kunnen vaststellen. Wetenschappelijk gezien is het inmiddels duidelijk: meditatie is goed voor bijna alles. Net als slapen, gezond eten en lopen.

Ja, echt. Mensen die leren aandacht voor het hier en nu te hebben doen zich zichzelf veel goeds. Dertig jaar onderzoek naar mensen die regelmatig mediteren laat zien dat het ze stukken minder neurotisch, gestresst en angstig maakt. En dus gelukkiger. De voordelen zijn mentaal en lichamelijk. Voor zowel spirituele mensen als hun tegenhangers. Op verschillende gebieden: sport, werk, relaties, liefde, creativiteit. Voor een ‘activiteit’ die de meesten als ‘nutteloos en oersaai’ terzijde zouden schuiven is het effect gerust verbazingwekkend te noemen.

Hoe kan stilzitten zo’n krachtig effect hebben? Het is minder mysterieus dan het lijkt. Het gaat over het stillen van je brein. Wij zijn in zekere zin allemaal namelijk knetterknots (zonder het door te hebben) en meditatie blijkt daar een prima medicijn voor. Als we iemand op straat tegen zichzelf horen praten vermoeden we dat deze persoon geestelijk ziek is. Daarom houden wijzelf de kaken stijf op elkaar. We willen niet voor gek versleten worden. We zijn sociaal aangepast, maar ondertussen kakelen wij binnensmonds wel onophoudelijk tegen onszelf. De hele dag door, slechts onderbroken door een slaapje. We mijmeren continu over wat gebeurd is, wat we moeten doen en wat we liever zouden doen. Het vreemde is dat we (meestal) geeneens door hebben dat we het doen. Het is een automatisme waar we blind voor zijn.

Vraag je jezelf nooit eens af: tegen wie praat ik eigenlijk? Wie praat met wie? En waarom die eindeloze herhalingen van precies dezelfde gedachten en uitspraken, en bijbehorende gevoelens. We zijn zo gewend aan die gedachtestroom, dat het aanvankelijk lastig is dit te herkennen, laat staan te veranderen. Nog minder beseffen we hoe ons geestelijk lijden hierdoor wordt gecreëerd en in stand word gehouden. We weten niet eens dat dit ons ongelukkig maakt.

Onderzoeker Matt Killingsworth maakte een app om te ontdekken wanneer precies mensen op hun gelukkigst zijn. Telkens als een piep afging rapporteerden proefpersonen wat ze deden, hoe gelukkig ze waren en waar ze aan dachten. De resultaten verbaasden hem. Het maakt weinig uit wat je doet, als je je aandacht er maar bij hebt. Geluk is vooral een ‘hier en nu’-ding, onafhankelijk van de bezigheid. Of het nou afwassen, eten of seksen is. Als we in gedachten verzinken, gaat de aandacht al snel naar onplezierige zaken. Zorgen, angsten, twijfels, over wat we missen of wat er mis zou kunnen gaan. We denken obsessief na over gelukkig zijn in de toekomst en vergeten om daadwerkelijk gelukkig te zijn.

Natuurlijk, het zou onnozel zijn om het denken zelf te bagatelliseren. Lineair en logisch denken is essentieel. Het is nodig om te plannen, relaties te onderhouden, een huis te bouwen, wetenschap te bedrijven en mensen te opereren. Dat staat buiten kijf. Maar de vereenzelviging met die onophoudelijke gedachtestroom – zonder die te herkennen als losse, vluchtige verschijningen in je bewustzijn – is de bron van psychisch leed en verwarring. We hebben ten onrechte het gevoel dat wij die babbelkous in ons hoofd zijn. Meditatie is een manier om die (bij tijd en wijle neurotische, veroordelende) spookfiguur in je hoofd minder serieus te nemen: een oefening in geduld om hem te negeren. Op een gegeven moment houdt ie gewoon zijn mond als hem niks gevraagd wordt. Dat voelt als pure vrijheid.

Het loont daarom aandacht te trainen en te doorzien hoezeer je geleefd wordt door die mallemolen van gedachten. In zekere zin leert meditatie om je ervan te onthechten. Niet door je gedachten en gevoelens als indringers te veroordelen, maar om de vluchtigheid en onechtheid ervan te zien. En denk niet dat dit je onverschillig of ongevoelig maakt. Integendeel, een gestild brein is juist erg wakker. De verhoogde alertheid maakt dat je weer oog krijgt voor je omgeving (in plaats van je innerlijke spoken) en daar een rechtstreekse connectie mee krijgt. Dit verklaart waarschijnlijk ook waarom ouderen die omwille van de wetenschap leerden mediteren zich naar verloop van tijd minder eenzaam voelden.

De positieve effecten van meditatie kunnen hersenonderzoekers, middels hersenscans, direct in het brein terugzien. Als de oppervlakkige ruis in je brein tot rust komt, is je brein op andere vlakken juist heel actief. Tijdens meditatie synchroniseren de hersenen hun activiteit en werken afzonderlijke delen beter samen. De overactiviteit in sommige delen (die wij ervaren als piekeren of angst) neemt af, andere hersengebieden, geassocieerd met medeleven, geluk en creativiteit, nemen juist in activiteit toe. Net zoals je je spieren kunt trainen, geldt dat ook voor je brein. Regelmatig mediteren verandert de structuur van je hersenen. De effecten laten zich al na een paar dagen oefening zien, maar voor een echt duurzaam effect is tijd nodig. Net als bij elke andere vaardigheid vraagt het oefening en doorzettingsvermogen voordat meditatie een gewoonte wordt en fijn voelt.

Wil je leren mediteren? Veel heb je niet nodig.

Zoek een rustige plek, waarvan je weet dat je niet gestoord wordt, en ga met rechte rug in een comfortabele houding zitten. Gebruik een stopwatch (5-30 minuten) of zoek een geschikte begeleide mediatie op youtube of hier.

Sluit je ogen, adem een paar keer diep in en kom in het hier en nu. Luister naar de geluiden om je heen en voel de sensaties in je lichaam.

Probeer nu zonder harde dwang je aandacht bij het in en uitgaan van je adem te houden. Laat je adem zo natuurlijk mogelijk zijn gaan gaan. Voel hoe de adem vanzelf je neusvleugels binnenkomt en je abdomen heen en weer beweegt. Je hoeft er alleen maar op te letten.

Elke keer dat je merkt dat je gedachten afdwalen richt je je aandacht weer op je adem. En opnieuw. En opnieuw. Totdat de stopwatch afgaat of de begeleide mediatie afloopt.

Terwijl je je aandacht richt op je adem zul je merken hoe geluiden, gedachten, sensaties, gevoelens, beelden in en uit je bewustzijn komen.

In het begin is het fijn en nuttig om begeleide meditaties te doen. Je kunt er hier alvast een paar uitproberen.

eKudos Nu Jij

Hoe onderzoek naar telepathie de liefde verandert

Psycholoog James Laird vroeg ooit een aantal mensen mee te doen aan een onderzoek naar telepathie. Telkens moesten een man en een vrouw elkaar lang en diep in de ogen kijken om te raden wat de ander dacht. Dat klinkt bij voorbaat al vrij kansloos, aangezien dit omwille van de wetenschap al vaker is geprobeerd, zonder enig resultaat. En inderdaad, na het zorgvuldig analyseren van de resultaten bleek voor de zoveelste keer geen bewijs voor bovennatuurlijke krachten. Dat blijft jammer. Toch was dit specifieke experiment meer dan geslaagd.

Laird onderzocht namelijk iets anders. Hij wilde weten of mensen die elkaar lang in de ogen kijken zoals geliefden dat doen ook iets van de bijbehorende aantrekking en verliefdheid meekrijgen. Zijn hypothese bleek wonderwel te kloppen. Bijna alle proefpersonen kregen speciale gevoelens voor hun telepathische partners. Die varieerden van lichte verliefdheid tot diepe affectie. Dit onderzoek verraadt een belangrijk principe van de menselijke geest: wat we doen is vaak bepalender voor ons gevoel dan wat we denken.

Ons brein negeert dit haast onbenullige inzicht meestal. We zijn namelijk zo gewend dat ons gedrag en gevoel in een specifieke en vaste volgorde verschijnen, dat we blind lijken voor situaties waarin het andersom is. We lachen nadat we een leuke grap horen. We dansen als we lekkere muziek horen. We raken gestresst wanneer we overvolle agenda’s openslaan. We denken na over oplossingen als we een probleem ervaren. Via de schijnbare Orde der Dingen menen we ook te kunnen voorspellen hoe we ons in toekomstige situaties zullen voelen. Wanneer we ons klote voelen, proberen we de vermeende oorzaken ervan te achterhalen om zo snel mogelijk weer gelukkig te zijn. We denken bijvoorbeeld: ‘Als ik weer seks heb, voel ik me weer gewaardeerd.’ Of: ‘Eerst mijn zelfvertrouwen en spieren opkrikken, dan komt die vriendin vanzelf wel.’

Onderzoek laat zien dat we zo’n 30-50 % van onze tijd verdoen aan nadenken over andere dingen dan waar we op dat moment mee bezig zijn. We hebben het hier niet over constructief, oplossingsgericht denken om tot actie te komen, we hebben het over dagdromen, tobben en cirkeltjesdenken. Over alles wat mis is, of mis kan gaan. Over deadlines, gemiste kansen, vluchtige ontmoetingen, schuldvragen, kapotte auto’s, vervelende conversaties en gemaakte fouten. Waarom pijnigen we onszelf zo? Om in de toekomst gelukkig te kunnen zijn natuurlijk. We veronderstellen dat erover nadenken ons uiteindelijk naar verlossing zal leiden. We vermoeden dat wanneer we de problemen in ons hoofd oplossen en onze gedachten ordenen, dat wij ons beter zullen voelen. In de praktijk kunnen echte piekeraars soms uren, dagen, nee maanden en zelfs jaren tobben zonder dat er structurele verbeteringen in hun gevoelsleven plaatsvindt. Piekeraars eindigen vaak doodmoe bij een therapeut op de bank. Zij nemen hun gedachten veel te serieus. En dat doen we in meer of mindere mate allemaal.

Als het om geluk, liefde en succes gaat overschatten wij systematisch het nut van ons denken en onderschatten we het effect van de context waarin we ons bevinden en het gedrag dat we daarin uitvoeren. We beseffen vaak onvoldoende hoe onze subjectieve beleving achter de schermen van ons bewustzijn tot stand komt. Die wordt namelijk veel meer gebouwd door de ‘toevallige’ omstandigheden van het moment dan we ons realiseren.

Een paar voorbeelden over de invloed van gedrag en contect uit onderzoek naar geluk:

Een sterke of dominante houding aannemen – voeten op je bureau, breed staan, rug recht, handen in je zij of armen over elkaar – geeft meteen een zelfverzekerder gevoel. Door alleen al je spieren aan te spannen, kweek je meer wilskracht om vervelende taakjes gedaan te krijgen. Dat geldt ook voor rechtop zitten. Mensen die tijdens een dieet gevraagd wordt om hun vuisten te ballen als ze iets lekkers gepresenteerd krijgen, vallen meer af dan mensen die dat niet doen. Een potlood tussen je tanden doen maakt je gelukkiger. Het stimuleert je lachspieren en je hersenen maken er de bijbehorende geluksstoffen bij aan. Je lacht niet omdat je je blij voelt. Je voelt je blij, omdat je lacht. (Bron.)

Over naar het domein van de romantiek:

Je vindt een toevallige passant aantrekkelijker als je die tegenkomt op een hangbrug dan op het trottoir. Verklaring? Je hartslag is boven op de brug sneller en dat versterkt de aantrekkingskracht. Daarom ook kun je op een eerste date beter in de botsautootjes gaan dan een suffe romantische film kijken. Als je wilt dat een vrouw warm van je wordt, dan kun je haar beter een kopje warme thee schenken dan koude frisdrank. De fysieke warmte wordt deels vertaald naar een soort persoonlijke warmte. Ook broodbaklucht, zwoele muziek, rode kledingstukken, grote pupillen, toevallige aanrakingen, horrorfilms, bloemengeuren en ongemakkelijke momenten blijken de hersenen ontvankelijker te maken voor liefde. In sommige gevallen gaat dit om echt grote effecten. In onderzoek naar verleiding- en verkooppraatjes waarbij het enige verschil een schijnbaar vriendschappelijke aanraking op de schouder was, hadden de casanova’s en verkopers (M/V) een derde tot de helft meer succes. Je wordt verleid door je onderbewuste zonder het te weten.

Ook langdurige liefde werkt volgens dit soort onbewuste patronen.

Partners die samen iets spannends doormaken – zoals omwille van de wetenschap aan elkaar vastgetapet door een grote betonnen buis kruipen of meedoen aan een danscompetitie – blijken achteraf een stuk meer verliefd dan de stelletjes die uit eten gaan of een ontspannen cruisetochtje maken. Alles wat het lichaam opwindt, helpt ook liefde stromen. Samen uit de comfortzone gaan is goed voor de relatie. De roes van het avontuur versmelt zich met de band die je voor elkaar voelt. Bovendien wordt die band intenser omdat je elkaar moet helpen en vertrouwen. Dat schept een mooie gelegenheid om elkaar opnieuw het hof te maken. Oude romantische rolpatronen worden zo opnieuw geactiveerd. (Bron.)

Kortom, de wereld is minder logisch dan hoe wij haar ervaren. Laird laat dat met zijn onderzoek mooi zien. Ons onderbewuste maakt onophoudelijk een intuïtieve optelsom van alle prikkels die het krijgt en wordt daarbij beïnvloedt door grilligheden in het hier en nu die wij domweg niet opmerken. Ons brein blijkt daarbij erg slecht te discrimineren tussen waarheid en fantasie; oorzaak en gevolg: emoties en lichamelijke sensaties; verleden, heden en toekomst. Die worden op een hoop gegooid. Wij vertalen die ongedifferentieerde boodschappen van ons onderbewuste achteraf in de verklaring die ons het meest aannemelijk lijkt. Zonder er ooit achter te komen of we het wel bij het rechte eind hebben. Dat maakt vaak ook niet zoveel uit.

Een ding kun je aannemen: wanneer je gelukkiger wilt worden kun je het nadenken en filosoferen daarover beter uitbesteden aan vakidioten zoals mij. Erover denken leidt vooral tot nog meer denken. Als je jouw stemming en die van de mensen om je heen wilt beïnvloeden is er weinig beter dan weerstand overwinnen en te sporten, lachen, dansen en lief te hebben. Wie doet alsof de wereld vol liefde en geluk is, treft die namelijk veel vaker.

Dit artikel is een bewerking van een hoofdstukje uit het boek Liefde in tijden van Facebook.

eKudos Nu Jij

Het probleem met psychologische diagnoses (en woorden in het algemeen)?

Het probleem met psychologische diagnosesMet psychologische termen en diagnoses kun je lekker smijten. De depressies, burn-outs, autistische partners, narcistisch bazen, bindingsangstige minnaars, minderwaardigheidscomplexen en allerhande verslavingen vliegen ons tegenwoordig om de oren. We speculeren graag over afwijkend gedrag van sterren, kennissen en vrienden. Gisteren nog werd mij door een tv-programma gevraagd of Gordon een narcist is? ‘Omdat ie zoveel ruzie zoekt.’

Dit diagnostische ‘jargonkletsen’ wekt misschien de suggestie dat iemand verstand van zaken heeft, tot nieuwe inzichten leidt het zelden. Ook niet als professionals het doen.

Wanneer wordt lastig gedrag een heuse psychische stoornis?
Ben jij van nature wat somber of heb je een klinische depressie? Kan jouw partner gewoon erg slecht tegen onzekerheid of heeft ze een obssesieve-compulsieve stoornis? Heeft je kind ADHD en bijhorende leerproblemen, of is hij vooral een energiebommetje dat meer aan sport moet doen? Is je baas een arrogante kwast die te lang in een koorballencultuur heeft meegedraaid of een narcist? Is jouw buurvrouw iemand die zich graag verliest in geestverruimende activiteiten of een drugsverslaafde? Verwarrend hoor, woorden.

Laten we over het volgende alvast glashelder (en wetenschappelijk) zijn: in het brein bestaan geen categorieën. De hersenen zijn een grote homp grijze massa, bestaande uit miljarden zenuwcellen die met elkaar in verbinding staan. Ergens ontstaat daaruit het ik-gevoel plus bijbehorende verzameling neigingen, gewoonten, angsten, impulsen en verlangens. Allemaal zaken die wederzijds invloed op elkaar uitoefenen. En die in sommige situaties of omgevingen voor problemen zorgen. En in andere juist voor succes of geluk.

Psychologische diagnoses zijn per definitie misleidend. Ze duiden (meestal) geen zichtbaar beschadigde hersengebieden: het zijn interpretaties over een complexe interactie tussen lichaam, brein, persoonlijkheid, gedrag en omgeving. Er is geen wetenschappelijke basis voor psychologische diagnoses. Het zijn slechts afspraken over welk label we de combinatie van een rijtje gedragingen geven. Diagnoses zijn misschien nuttig als communicatietool voor de mensen die ermee werken (therapeuten, cliënten en zorgverzekeraars), verder werken ze gemakkelijk verwarring in de hand. Vooral wanneer we vergeten dat een mentale diagnose als ‘borderline’ niet vergelijkbaar is met een medische diagnose als ‘blindedarmontsteking’. De meeste therapeuten en psychiaters weten dat heus: zij hanteren daarom uiteindelijk het lijden van hun patiënten (of hun omgeving) als belangrijkste graadmeter om een behandeling te starten.

De geboorte van psychiatrische diagoses
In plaats van licht te schijnen op de menselijk gedrag en het brein hebben de oerpsychologen ons op een dwaalspoor gezet met hunnie moeilijke woorden en zelfverzonnen hokjes. Even een kort historisch overzicht om psychiatrische diagnoses in perspectief te plaatsen:

De psychiatrie is een piepjonge wetenschap die niet lang geleden nog voor een groot gedeelte bestond uit het associëren theoretiseren over menselijk gedrag en het doen van wilde experimenten. Dat laatste ging er soms barbaars aan toe. Overspannen mensen werden bijvoorbeeld in ijswater gedompeld, gekneveld, verdoofd met paardenmiddelen of met zware elektrische schokken tot rust gemaand. Er werd gretig in hersenen geboord en gesneden om te kijken hoe patiënten reageerden. En, recentelijk, na de Tweede Wereldoorlog zijn er in Amerikaanse klinieken levens verwoest door het toedienen van belachelijk hoge doses LSD aan patiënten in ‘isolatiecellen’. De verantwoordelijke psychopaat psychiater wilde testen of hij de geheugens van zijn patiënten kon resetten zodat ze helemaal opnieuw konden beginnen. Echte horror. Als je het zonnig bekijkt: we hebben er veel van geleerd. Al het pionieren is lastig en je moet ergens beginnen, nietwaar?

Het zijn slechts een paar illustere voorbeelden van hoe de psychiatrie zich op de wetenschappelijke kaart heeft geprobeerd te werken. Ons huidige diagnostische systeem is een erfenis van die tijd. Om gaten in hun kennis te verbloemen (en toch wetenschappelijkheid en autoriteit uit te stralen) deden de zielendokters witte jassen aan en gaven vreemd (en niet zo vreemd) gedrag sjieke, latijnse namen. Zoals: neurasthenie, hysterische neurose en de allerbeste: dysaethesia aethiopica of drapetomanie. Dit laatste was de ‘waanzinnige’ drang van slaven om vrij te willen zijn. Je moest als slaaf wel gek zijn om te willen vluchten van een baasje dat jou onderdak, veiligheid en eten verschaft, toch?

Omdat de geestelijke gezondheidszorg eeuwenlang verdoemd leek tot een studie van de subjectieve beleving, kon elke kwakzalver zijn wilde theorieën zomaar aan de man brengen. Als een paar van de patiënten het gevoel hadden dat jouw schreeuw-het-er-maar-uit-therapie werkte was het al snel goed. Er waren simpelweg nog geen goede wetenschappelijke alternatieven. Hierdoor was het ook mogelijk dat elke psychiatrische en therapeutische school eigen diagnostische criteria hanteerde volgens een uniek specifiek wereld- en mensbeeld. De diagnostische criteria verschilden uiteraard ook per cultuur. Waar je elders een dwangbuis zou krijgen wanneer je iets te lang een aap imiteerde, kon je in India zomaar worden aangezien voor de heilige incarnatie van Hanuman, de Apengod. In dat geval kreeg je een bloemenkrans, en een schare volgelingen.

De geboorte van de DSM
In de jaren vijftig besloten de grote psychologen de koppen bij elkaar te steken en iets aan de verwarring te doen. Ze wilden uniformiteit en wetenschappelijkheid in de wereld van de psychische klachten brengen. In 1952 verscheen daarom het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, kortweg DSM. Het officiële Groene boekje van psychische aandoeningen. Dat was alvast een hele verbetering. Nu was de verwarring tenminste duidelijk in kaart gebracht. Door deskundigen die wetenschappelijk onderzoek begrepen en zich vaak jarenlang hadden vastgebeten in het verhelpen en onderzoeken van specifieke psychische klachten.

‘Het doel was nobel. Niet geld verdienen of medicijnen verkopen, maar mensen helpen.’ Dat meent psychiater en oud-redacteur van de DSM-III, Allan Frances. ‘Maar inmiddels zijn we ons doel ver voorbij geschoten met de vijfde versie van de DSM.’ In zijn boek ‘Terug naar Normaal’ waarschuwt Frances voor de DSM-V die deze maand (mei, 2013) verschijnt: “We zijn doorgeschoten in diagnoses voor stoornissen die geen serieuze stoornis zijn. Te lang rouwen en vergeetachtigheid zijn voorbeelden van vrij normale toestanden die niet geproblematiseerd hoeven worden worden en die nu wel als stoornis worden neergezet. We leven in een tijd van diagnostische inflatie en overmedicatie. De oorzaak daarvan is dat de definities van stoornissen om volledig te zijn steeds ruimer zijn geworden.” Kinderen die temperamentvol en driftig zijn, krijgen de diagnose bipolaire stoornis of ADHD. De symptomen zijn niet toegenomen. Kinderen krijgen alleen veel sneller het etiket opgeplakt plus bijbehorende medicatie en bijwerkingen. In Amerika waar farmaceuten hun pillen mogen verkopen en aanprijzen alsof het om waterijsjes gaat is dit problematisch. In Nederland is de invloed van de farmaceutische industrie een stuk minder groot, maar toch.

Frances zelf is niet antipsychiatrie, maar vindt dat de DSM zich moet beperken tot de mensen die echt psychische zorg nodig hebben. De DSM-III (1987) is volgens hem een betere leidraad dan de meest recente. De DSM-III bestaat uit voldoende basiscategorieën om de clinicus op weg te helpen, maar verder moet deze met zorg en aandacht samen met de patiënt uitzoeken wat een goede behandelstrategie zou kunnen zijn. Zo zou het volgens Frances moeten zijn. ‘Het gevaar is nu dat je het nadenken kunt overlaten aan een boek en diagnostische vragenlijst. Je telt de beschreven symptomen bij elkaar op en leest welke medicijnen of behandeling daar voor gebruikt worden.’

Onze haatliefdeverhouding met hokjesdenken
Diagnoses zijn noodgedwongen een simplificatie, bedoeld om voor professionals om sneller en beter te communiceren. Dat is altijd gevaarlijk. We weten ook tegenwoordig nog bar weinig van het menselijk brein. Ondanks het ontbreken van een wetenschappelijke basis voor psychologische diagnoses, krijgen deze labels in de praktijk wel betekenis. Als de hulpverlener doet alsof het label op waarheid berust, en daardoor minder oog heeft voor de daadwerkelijke, unieke toestand van de cliënt, dan is hij misschien wel net zo verward als degene die hij probeert te helpen.

Het taalgebruik in de DSM roept die verwarring op. Hoewel de betrokken psychologen en psychiaters het gevaar van wollig woordgebruik kennen en met hun diagnoses bepaald niet over een nacht ijs gaan, blinkt de DSM niet bepaald uit in helderheid. Het onderscheid tussen gedrags-, stemmings- en persoonlijkheidsstoornis veronderstelt alvast een vals onderscheid tussen gedrag, stemming en persoonlijkheid. Waar eindigt een gedragsstoornis en wordt het een persoonlijkheidsprobleem? Stoornissen en aandoeningen veranderen regelmatig van naam, of van definitie. Sommige worden geschrapt (homoseksualiteit), andere komen erbij (gokverslaving, eetbuistoornis). In de praktijk kun je dit soort taferelen (hilarisch filmpje) verwachten.

Natuurlijk, je moet ergens een lijn trekken om psychische klachten te categoriseren, maar een groeiende groep deskundigen pleit voor een logischere kijk op geestelijke (on)gezondheid. Eentje die het brein als basis neemt. We hebben hiervoor de tijd mee. Hersenonderzoekers leren door moderne hersensscantechnieken steeds meer over de soms ingewikkelde relaties tussen specifieke hersendelen, neurotransmitters en verschillende subjectieve toestanden die daarmee corresponderen. Zo leren we steeds beter hoe verschillende hersencircuits bepaalde klachten in stand houden en verergeren. Dit geeft een basis voor nieuwe definities over persoonlijkheid en psychische klachten. De Amerikaanse neuroloog Richard Davidson doet op dit gebied baanbrekend werk. Na jarenlang turen in de breinen van zijn proefpersonen legt hij ‘in zijn laatste boek ‘Training the emotional brain‘ een nieuwe biologische basis bloot voor verschillen in persoonlijkheid, emotionele stijl en het veranderen daarvan. Hij doet een eerste poging om de inzichten uit hersenonderzoek te synchroniseren met de traditionele kijk op persoonlijkheidstypen en gedragsverandering. Hij hoopt hiermee een paradigmaverschuiving te bewerkstelligen in hoe we psychische stoornissen beschrijven en behandelen.

Mensen die bang zijn dat de wetenschap ons gevoelsleven alleen verder zal proberen te ‘moleculiseren’, om geschikte pilletjes te maken, hebben het mis. Het voortschrijden van de wetenschap leidt niet noodzakelijk tot meer meer invloed van de farmaceutische industrie. Meer inzicht betekent ook effectievere behandelingen zonder pillen. Zo zijn therapeuten tegenwoordig minder bezig met het eindeloos graven in iemands verleden of het domweg dempen van gevoelens middels medicatie. De inzichten van mensen als Davidson laten zien dat de hersenen flexibeler zijn dan werd aangenomen en soms met relatief simpele methodes kunnen veranderen. Een simpel rollenspel of regelmatig mediteren kunnen soms al wonderen doen. Ook dagen er hoopvolle inzichten voor nu nog onbehandelbare stoornissen als schizofrenie en autisme. Recent hersenonderzoek laat ook zien dat veel diagnoses pas worden gesteld als het te laat is. Namelijk als de bijbehorende gedragsveranderingen waarneembaar worden. De ontwikkeling van bijvoorbeeld schizofrenie kan in het brein al jaren eerder worden ontdekt, zonder dat de symptomen zich uiterlijk manifesteren. We weten ook dat vroeg ingrijpen de kans op het ontwikkelen van schizofrenie kan verkleinen.

Tot slot
De geestelijke gezondheidszorg is werk in uitvoering en staat als wetenschap in de kinderschoenen. In elke wetenschap kun je excessen, misverstanden en debatten verwachten. In zo’n complex werkveld als de psychologie des te meer. Het doel van psychotherapie zou moeten zijn om met zo min mogelijk bijwerkingen, interventie en afhankelijkheid van de therapeut cliënten klachtenvrij en onafhankelijk te maken. Daar bestaat bij de meeste hulpverleners gelukkig grote consensus over.

Zie hier een korte lezing (13 minuten) van Thomas Insel waarin hij pleit voor een een andere kijk op psychische problemen.

Update: The National Institute of Mental Health, het grootste GGZ-centrum in de wereld, staat niet achter DSM-V en trekt steun terug

eKudos Nu Jij

Doe je waar je in gelooft? Geloof je in wat je doet?

Heb je vertrouwen in de toekomst? Reageer je ongemakkelijk als iemand in een volle tram je vraagt welke politieke partij je stemt? Eet je ecologisch? Vind je het belangrijk om goed belezen te zijn? Doe je je best om gezond en fit te blijven? Zeg je makkelijk ‘nee’ tegen verzoeken van anderen? Maak je snel een praatje met anderen?

Jouw antwoorden op die willekeurige vragen verraden enkele zaken die jij over jezelf en de wereld bent gaan geloven. Het bolwerk van deze veronderstellingen geven jou een coherente kijk op het leven en geven jouw gedrag richting. Jouw specifieke wereld- en zelfbeeld bepalen heel direct jouw dagelijkse acties en hoe je met anderen omgaat. Twijfel je daaraan? Probeer je in te denken hoe het zou zijn als je de volgende veronderstellingen écht zou geloven:

1. Je hebt nog een maand te leven
2. Je bent ervan overtuigd dat jij de nieuwe Messias bent
3. Je hebt een miljoen euro gewonnen in de loterij

Het zijn slechts woorden… totdat je ze gelooft. Op het moment dat deze gedachten als werkelijkheid voelen, bepalen ze hoe je je leven inricht. Het geloof in die gedachten vertaalt zich in specifieke gevoelens, verwachtingen en acties.

Als je wilt veranderen kom je er niet onderuit een aantal van je huidige veronderstellingen onder de loep te nemen en uit te dagen. Klopt het wel echt wat ik denk? Zijn er ook andere verklaringen? Je kunt van alles willen, maar verandering wordt bijna altijd tegengegaan door beperkende aannames over jezelf en je mogelijkheden. Sommige beperkingen – zoals een fysieke handicap – heb je maar te accepteren, andere zijn waarschijnlijk niets meer dan aangeleerde gewoonten die je kunt veranderen. Maar niet zonder slag of stoot.

Stel dat je wat spontaner en charmanter zou willen reageren op de mensen die je ontmoet. Misschien weet je zelfs hoe dat eruit zou zien. Je weet bijvoorbeeld dat vrienden vaak om jouw grappen lachen. De mensen bij wie je je op de gemakt voelt. Toch vertaalt die wetenschap zich lang niet altijd niet naar je gedrag als je op een feestje met onbekenden bent, of wanneer je iemand aantrekkelijk vindt. Dan word je ineens hyperbewust van jezelf. En geremd. Dan komen die weerstanden ineens weer op, en voel je je onhandig, misschien zelfs onaantrekkelijk.

Een heel ander voorbeeld. Veel werknemers worstelen met het woord ‘nee’. Ze hebben bijvoorbeeld een veeleisende baas die veel van hen vraagt. Meer dan ze aankunnen. Telkens nemen ze zich voor ‘nee’ te zeggen op het volgende rekwest. Totdat ze zichzelf weer tegen hun baas horen zeggen: ‘Ja, is goed, kijk ik wel even naar.’ Dat kan jarenlang zo doorgaan, totdat een burnout hen dwingt om ‘nee’ te zeggen.

Het lastige is dat veel veronderstellingen niet overeenkomen met hoe we er in een rationele bui over denken. Veel mensen weten best dat anderen niet meer (of minder) waard zijn dan zijzelf, en toch gedragen ze zich daar niet naar. Ze laten anderen de agenda van hun leven bepalen. Ze weten dat het vriendelijk weigeren van het zoveelste verzoek van een baas best redelijk is, en toch voelen ze dat ze ‘ja’ moeten zeggen. Uit angst dat de baas het toch niet begrijpt en een andere werknemer zal gaan voortrekken. Veel mensen weten ook dat vliegen statistisch gezien een van de veiligste manieren van transport is. Hun neiging te hyperventileren als het zover is laat zien dat ze daar toch niet helemaal van overtuigd zijn.

Er is heel vaak een conflict tussen wat we voelen en denken. En het gevoel wint daarbij meestal. Het veranderen van oude veronderstellingen is daarom lastig. Ze voelen als van jouzelf. Ze zijn vervlochten geraakt met je identiteit en je kunt ze – zelfs als ze je tot last zijn – niet zomaar opzij schuiven.

Een periode waarin je deze ‘beperkingen’ bewust uitdaagt en test kan maken dat je andere dingen over jezelf gaat geloven. En zoals inmiddels duidelijk moge zijn: ‘anders denken’ is niet genoeg. Om te veranderen moet je experimenteren met ander gedrag. Je gevoel verandert pas als je nieuwe ervaringen opdoet die de oude veronderstellingen laten afbrokkelen.

Soms kan slechts één nieuwe ervaring kan in een keer een oude veronderstelling teniet doen. Daar zit een eenvoudig principe achter. Je kunt bijvoorbeeld overtuigd zijn dat alle zwanen wit zijn. Je hoeft er maar eentje tegen te komen die zwart is om dat geloof in duigen te laten vallen. Ik dacht ooit dat ik nooit een coherent praatje voor een groep van meer dan vier mensen kon houden. Dat wist ik zeker. Helaas kon ik mijn afstudeerpresentatie niet vermijden. Ik moest – hopelijk voor het allerlaatst – de vernedering van mijn onkunde publiekelijk aangaan. Ik was overtuigd dat mijn goed voorbereide praatje in de soep zou draaien. Er was wat wodka voor nodig om mijn zenuwen te kalmeren en ik had het goed voorbereid. Wonderwel ging het redelijk. Er werd zelfs gelachen.

Voor de andere aanwezigen was dit het zoveelste praatje waar ze verplicht bij moesten zijn, voor mij was het een overwinning. De deur naar een leven waarin ik iets durfde te zeggen in groepen. Het niet confronteren van jouw angsten en weerstanden is jezelf de mogelijkheid ontzeggen om uit oude beperkende veronderstellingen te groeien en gelukkiger en succesvoller door het leven te gaan. Vermijding is de slechtste strategie als je een vruchtbaarder leven wilt leiden. Zelfs aan positief denken heb je weinig, je moet positief doen. Dingen op een andere manier doen is de koninklijke route naar verandering.

Doe je waar je in gelooft? Geloof je in wat je doet? Geeft niks. Gewoon nog een tijdje oefenen en doen alsof dat wel zo is. Slecht één positieve ervaring kan alles veranderen.

eKudos Nu Jij

Blinde vlek: je wordt rijk en succesvol door naar een seminar te gaan waar ze je leren rijk en succesvol te worden

Kun je rijk worden door een seminar te bezoeken als deze. Of deze? Deze. Misschien deze. En hier. Nee, daar. Ach, zoek zelf maar.

Je kunt jezelf het entreegeld voor zo’n duurbetaalde seminar besparen. Ik kan je namelijk hier en nu haarfijn uitleggen waar die bijzondere methodes om miljonair te worden uiteindelijk op uitdraaien: vertel anderen dat ze rijk, succesvol en gelukkig kunnen worden en vraag daar dan geld voor. Doe workshops, maak een gladde website, praat luid en duidelijk, doe een pak aan, schrijf een boek en probeer op tv te komen. Gebruik ondertussen veelzeggende woorden en oneliners als: kwantummechanica; Law of Attraction; niet geschoten altijd mis; de maatstaf voor verandering ben jijzelf; authenticiteit verkoopt; als ik het kan, kan jij het; haal je wel voldoende uit het leven?: ik was ooit een loser, totdat ik << voeg naam favoriete methode in>> ontdekte.”

Hoe meer je op deze manier verdient en/of hoe vaker je op tv of in de krant komt, des te meer wordt je gezien als het levende bewijs dat jouw methode werkt, hoe rijker je wordt… enzovoorts.

Rijk worden? Je kan het! Als je maar bedenkt: mensen die veel seminars volgen worden zelden rijk. Je moet ze geven.

Toch Kasper?

eKudos Nu Jij

Zoekt en gij zult niet vinden… geluk

‘Ik wil niet bij een club horen, die mij als lid zou accepteren.’ Dat is de uitspraak van de man die bekend werd als Charlie Chaplin. Grappig hoor. Totdat je je realiseert dat deze vreemde paradox jouw leven waarschijnlijk meer domineert dan je lief is.

Het is een bekend economisch principe dat we heftiger verlangen naar Dingen Die Schaars Lijken. Daar willen we harder in investeren. En dat geeft soms faalangst. Voorbeeld. Als liefde schaars voelt reageren we eerder verkrampt wanneer ze weer eens in de buurt is. Zien we al een aantrekkelijk potentiaaltje naar ons glimlachen? Blijkt die leuke, nieuwe collega ineens vrijgezel? Schrikken zeg. Onze toenaderingspogingen lekken behoeftigheid en maken de mogelijkheid dat er op het moment suprême iets moois ontstaat nog schaarser. We zijn gewoon te zenuwachtig, bang om het spel te verliezen. (Herken de vicieuze cirkel.)

Daarentegen. Als liefde overal voor het grijpen lijkt, investeren we niet snel in diepgaande relaties en zijn we al snel ondankbaar, ontevreden en verveeld. We waarderen het gewoon niet echt. We negeren lieve mensen die alsmaar voor ons klaarstaan (of gebruiken ze) en raken blasé als we makkelijk toegang tot seks of intimiteit hebben. Het kan vast beter, mooier, intenser enzovoorts. Mensen die veel (mogelijkheden) hebben, zijn daarom niet per se gelukkiger. Onderzoek laat zien we niet snel zullen of kunnen kiezen als we veel keuze hebben en eerder bevangen raken door twijfel en inactiviteit. (Herken het recept voor spijt.)

Veel moderne liefdeslevens bewegen zich tussen deze twee uitersten. Aan de ene kant de angst dat uitgerekend jij wordt overgeslagen terwijl mensen om je heen lol hebben. Aan de andere kant ondankbaarheid met de situatie nu omdat het altijd nog beter kan. Schaarstedenken leidt tot de vicieuze cirkel van kramp en angst, oneindig romantiseren leidt tot teleurstellingen en ondankbaarheid. Zowel de ene als de andere houding zijn een logisch product van de huidige cultus van onze maakbare samenleving.

Wij hebben in de 21ste eeuw meer mogelijkheden, rijkdom, vrijheid en tijd dan ooit tevoren. Meer dan Napoleon – de machtigste man in zijn tijd – ooit had. We hebben toegang tot de beste medische zorg ooit, we lopen standaard met geavanceerde belcomputers op zak waarmee we kunnen twitteren naar de Minister-President, we vieren vakanties op plekken die een eeuw geleden nog niet eens waren ontdekt en we hebben door middel van internet een oceaan aan vrijgezelle potentiele partners waar we uit kunnen vissen. Enzovoorts. Enzovoorts.

Realiseer jij je dat wel eens? Ook jij bent rijker en machtiger dan alle mensen die voor jou leefden. De meeste mensen die ooit hebben geleefd hadden geen toetje na het eten, kregen vaker kiespijn en ziektes waar ze aan dood gingen, moesten harder werken puur om een snee brood en een pan knollensoep op tafel te hebben, en hun liefdesleven werd bepaald door anderen, meestal hun ouders. Ook was er geen haarwax en kon je niet op het laatste moment bellen dat je later kwam. En toch, gek genoeg, voorspelt onderzoek dat jij geen cent gelukkiger bent dan zij. De kans is groot dat zij juist gelukkiger waren.

Dat heeft te maken met sociale vergelijking. Gelukkig zijn is erg relatief, afhankelijk van waarmee en met wie jij jezelf vergelijkt. Niet raar dat het in de huidige oceaan van ogenschijnlijke overvloed lastiger is dan ooit tevreden te zijn. Vooral door het internet kunnen we ons met iedereen op de hele wereld vergelijken. En dat kan maken dat we al snel schraler afsteken dan onze buren. Het succes van anderen is ook zichtbaarder dan ooit. Op Facebook posten mensen -uitzonderingen daargelaten – eerder hun positieve en bijzondere momenten. Succesvolle mensen zijn vaker op prominente plekken, in het nieuws, op de buis en in de krant.

Vooral de media en de commercie geeft ons graag de illusie dat alles mogelijk is. Er zijn kansen genoeg. Als jij maar snel, handig, charmant en doortastend genoeg bent, en/of specifieke producten koopt. Mogelijk falen komt daarmee direct op jouw conto. Het is jouw schuld als je er in deze meerkeuzemaatschappij niet in slaagt te bereiken wat je wilt. Dit maakt veel mensen ongelukkig.

Hoe meer mogelijkheden er zijn om gelukkig te worden, hoe groter de kans dat je niet bent. Als geluk een doel van je is, dan is het is belangrijk deze paradox te herkennen, en af en toe keihard te genieten. Zonder te willen dat het anders, beter, mooier is.

Tenzij natuurlijk …

eKudos Nu Jij